"De kleuren van de vlag van het Koninkrijk der Nederlanden zijn rood, wit en blauw.", aldus het Koninklijk Besluit d.d. 19 februari 1937, 'houdende vaststelling van de kleuren van de vlag van het Koninkrijk der Nederlanden'.
Teneinde enige orde te scheppen in de verschillende kleurnuances die er met rood en blauw vlaggendoek mogelijk zijn, vaardigde de minister-president op 20 december 1951 (O.B. 13399) een beschikking uit, waarin wordt vastgesteld:
"Dat indien nieuwe Nederlandse vlaggen door Ministeries en de daaronder ressorterende Rijksdiensten moeten worden aangeschaft, deze dezelfde kleuren rood en blauw zullen dienen te hebben, als de vlaggen, welke thans gevoerd worden op Hr.Ms. schepen en walinrichtingen der Koninklijke Marine.".
Koninklijk Besluit 19 februari 1937 nr. 93
Wij Wilhelmina, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Op de voordracht van Onzen Minister van Staat, Minister van Koloniën, Voorzitter van den Raad van Ministers van 5 Februari 1937, No.486, Kabinet M.R.;Hebben goedgevonden en verstaan: te bepalen:
De kleuren van de vlag van het Koninkrijk der Nederlanden zijn rood, wit en blauw.Onzen Ministers, Hoofden van Departementen van Algemeen Bestuur, zijn belast met de uitvoering van dit besluit, hetwelk in de Staatscourant zal worden geplaatst.
Zell am See, den 19 februari 1937.
(get.) Wilhelmina
De Minister van Staat, Minister van Koloniën, Voorzitter van den Raad van Ministers,
(get.) H.Colijn
Inmiddels was de Hoofdcommissie voor de Normalisatie in Nederland (HCNN) belast met het aanwijzen van standaardkleuren. Overwegende dat de aanvankelijk geformuleerde opdracht om de 'originele vlaggenkleuren' te benaderen onmogelijk bereikbaar was, om de eenvoudige reden dat men in voorbije eeuwen geen normalisatie kende en allerlei nuances van rood en blauw mogelijk waren, terwijl daarnaast een eeuwenlange strijdvraag of het rood wellicht meer oranjegetint zou dienen te zijn niet opnieuw opgerakeld kon worden, kwam men tot een bepaalde keuze van rood en blauw. Deze keuze geschiedde in overleg met landmacht, marine, diverse departementen, en enige grote scheepvaartmaatschappijen. Van de gekozen monsters werd door het Vezelinstituut TNO te Delft de kleur gemeten en vastgelegd in eenheden van het algemeen toegepaste C.I.E.-systeem voor kleurspecificatie. Het resultaat is de vastlegging van de kleuren van de Nederlandse vlag in het 'Normblad NEN 3055. Kleuren voor textielgoederen. Vlaggenkleuren. Rood en Blauw' (november 1958). De essentiële vaststelling luidt aldaar: "de kleur rood is helder vermiljoen, de kleur blauw is een kobalt-blauw.". De waarden van de trichromatische coördinaten en de trichromatische coëfficiënten voor de standaard vlaggenkleuren zijn dan als volgt:
| kleur | X | Y | Z | x | y |
| rood | 18,3 | 10,0 | 3,0 | 0,5847 | 0,3195 |
| blauw | 7,5 | 6,6 | 25,3 | 0,1904 | 0,1675 |
Het Koninklijk Besluit van koningin Wilhelmina, in 1937, was in feite een herhaling van de Koninklijke Decreten van 1806, waarbij de 'geldende vlag', laatstelijk vastgesteld bij besluit van de Staten-Generaal der Verenigde Nederlanden d.d. 14 februari 1796, werd gehandhaafd. Hoewel deze regeling bij de inlijving van ons land in 1810 zijn rechtskracht verloor, werd hij weer hersteld bij de onafhankelijkheid in 1813, zoals de soevereine vorst in zijn proclamatie van 6 december 1913 (Staatsblad nummer 6) verklaarde. In de vergadering van de Staten-Gereraal van 25 september 1795 werd een door het Comité van Marine aangeboden model van een nationale vlag aangenomen, bij publicatie van dat lichaam d.d. 14 februari 1796 vastgesteld en op 1 maart daaraanvolgend die vlag ingevoerd. De voornaamste bepalingen zijn: "Dat voortaan en in het toekomende de Nationale vlag van deezen Staat zal zijn de gewoone en altoos in gebruik geweest zijnde Bataafsche of zogenaamde Hollandse vlag, bestaande in drie evenwijdige en horizontale banden, van gelijke breedte, en van welken de bovenste rood, de middenste wit, of ongekleurd, en de benedenste blauw gekleurd is.". Even verderop volgt een bepaling die nog al evenzeer van kracht is gebleven: "uitdrukkelijk verbod aan een iegelijk wien het zoude mogen aangaan, om in meergemelde gewoone Hollandsche vlag eenige verandering te maaken, veel min zig van den [speciaal voor de marine bestemde] Jack te bedienen, of ook eenig ander schilderwerk, als Gebouwen, Beelden, Boomen of van welk eenen aard zulks zoude mogen zijn, in hunne vlaggen, geuzen of wimpels te brengen.".
Voordien waren er heel wat meer 'Nederlandse' vlaggen in gebruik geweest, waarvan de voornaamste wel waren de Leeuwenvlag der Generale Staten, de Prinsenvlag (oranje, blanje, bleu), de 'Staatse geus' (gegeerd van oranje, wit, blauw en later rood, wit, blauw) en de Oranjevlag der geuzen (geheel oranje dus). Over het gebruiken van oranje, blanje, bleu of de rood, wit, blauw is heel lang, tot in onze dagen, strijd gevoerd. Echter reeds in 1787 was dit een twistpunt. De prinsgezinde Staten van Utrecht, vergaderd in Amersfoort, namen toen als hun standpunt in dat als kleurcombinatie gebruikt diende te worden: "de gecombineerde couleuren van oranje, wit en blaauw, waarbij 's-Lands vlag van ouden tijd af dor geheel Europa bekend is geweest.". Daarentegen vergaderden in Utrecht de patriottische Staten en vaardigden een verbod uit "gebruik te maken van de gecombineerde couleuren van orange, wit en blaauw, waarbij nimmer 's-Lands of der Staten vlag, zoals bij gezegde Staatspersonen zo ten onregte wordt geposeerd, maar wel een geusurpeerde zogenaamde princevlag van oude tijden af door geheel Europa is bekend geweest.".
Als de geuzen enkele maanden na de inname van Den Briel (1572) Gouda binnentrekken, voeren ze "vendelen orangien, wit en blaauw" met zich mee. De kronieken geven niet aan hoe ze er precies uitzagen. En niemand is er nog in geslaagd een sluitende verklaring te geven voor de keuze van juist deze kleuren. Oranje herinnert ongetwijfeld aan de vader des vaderlands Willem van Oranje. Maar waar wit en blauw naar verwijzen? Wat er ook van wordt beweerd, het blijven gissingen. Een feit is wel dat de kleuren rood-wit-blauw voorkwamen in het wapenschild van het prinsdom Oranje. Willem de Zwijger verkreeg in 1544 het prinsdom Oranje in zuid Frankrijk en bijbehorende titel uit een erfenis van zijn neef Rene van Chalons. Een wapenschild van Oranje had een gouden (in hydraltiek gele) achtergrond met daarop een blauwe jachthoorn met zilveren (in hydraltiek witte) banden er omheen. De koorden, het mondstuk en de beker van de hoorn waren rood.
Het spreekt vanzelf dat vlaggendeskundigen zich in de loop der jaren ernstig verdiept hebben in alle denkbare bronnen, waaruit de juiste vlaggenkleuren zouden zijn op te diepen. Vooral schilderijen en prenten hebben hierbij als bewijsmateriaal van bepaalde ingenomen standpunten gediend. In dit kader is het voldoende te memoreren, dat het oudst bekende geïllustreerde handschriftelijke vlaggenboek van Napels (1667) voor 'Holland' een rood-wit-blauw documenteert. Vervolgens kennen wij de 'Dictionaire des termes propres de Marine' verschenen in 1687, van Mr. Desroches, die - weliswaar wat raadselachtig, maar toch heel duidelijk - spreekt over "vlaggen in banen van rood, wit en blauw, die men Oranjevlag noemt", en daarvan ook niet mis te verstane afbeeldingen brengt in deze kleuren. De latere bronnen zijn algemeen bekend en geven geen reden tot afzonderlijke vermelding. Het is wel vermeldenswaard dat vlaggenboeken en -kaarten, ten dienste van zeevarenden gemaakt dus, vrijwel zonder uitzondering alleen de kleuren rood-wit-blauw kennen.
| kleur | X | Y | Z | x | y |
| oranje | 31,6 | 20,0 | 2,4 | 0,5852 | 0,3704 |
Over de geschiedenis van de Oranjevlag en -wimpel valt weinig bijzonders te berichten. Op oudere vlaggenkaarten en in vlaggenboeken vindt men ze zelden gememoreerd. Archiefstukken daarentegen spreken reeds in de 16e eeuw van Oranjevaandels (zoals die bijvoorbeeld in Enkhuizen op 21 mei 1572 werd uitgestoken bij het kiezen van 's prinsen zijde), en ook van Oranje-sjerpen (die jongens droegen, die begin augustus 1653 de prins wilden verwelkomen bij Rijswijk). In elk geval blijkt duidelijk dat men in het oranje steeds nadrukkelijk de prinselijke of vorstelijke kleuren is gaan zien, waartoe de naam van het Huis Oranje uiteraard aanleiding gaf. De livreimonstering van de hofhouding bevatte ook deze kleur. Het oranje heeft speciaal ook zijn functie gehad in tijden van onderdrukking en verzet, zoals niet alleen in de laatste oorlogstijd is gebleken, maar bijvoorbeeld ook onder de Franse bezetting tot uiting kwam. Op 8 maart 1813 daarentegen konden op de oude prinsenverjaardag reeds weer 7 Harlingers op de jaagschuit te Franeker met een Oranjevlag manifesteren, nadat op 24 augustus 1788 de Oranjevlag te Drontyp met brandende pijpen, slijk en vuil was besmet. Zodoende is de driekleur in rood, wit en blauw aanvaard als symbool van het Koninkrijk der Nederlanden, terwijl het oranje voor alle tijden de verbintenis, verbinding en verbondenheid van Oranje met Nederland tot uitdrukking heeft gebracht.
Officieel ingestelde vlaggen, door welke autoriteit ook, bezitten eenzelfde status. Dat wil zeggen bij het gezamenlijk voeren van meer dan één vlag, dienen deze alle van eenzelfde stof vervaardigd, van eenzelfde formaat, en aan een vlaggenmast van eenzelfde lengte gehesen of uitgestoken te zijn. Meer dan één vlag in gebruik worden opgesteld (bij provincievlaggen of gemeentevlaggen) in alfabetische volgorde van de namen. Daarbij stelt men zich de ordening voor als een rangschikking vanuit een centraal punt. (Dus zoals bij een tafelschikking achtereenvolgens rechts en links van de voornaamste gast: F,D,B,A,C,E,G, enz.) Vlaggen worden óf gelijktijdig gehesen (zoals bij de Verenigde Naties iedere ochtend gelijktijdig meer dan 100 vlaggen in top gaan), óf in bovenbedoelde alfabetische volgorde, van achteren naar voren. Is de Nederlandse vlag erbij, dan 'voltooit' deze als laatste de vlaggenplechtigheid.
Het bezigen van andermans vlag verdient geen aanbeveling (men draagt immers ook niet eens anders wapen in zijn zegelring). Wil men toch ter gelegenheid van een belangrijk contact met een andere vlagvoerende eenheid (bijvoorbeeld bezoek buitenlandse gasten, interprovinciale of intergemeentelijke voetbalwedstrijd) diens aanwezigheid eren met het vertonen van de 'vreemde' vlag, dan is zulks alleen geoorloofd indien de eigen vlaggen alle een plaats hebben gekregen. (Dus: bijvoorbeeld een buitenlandse vlag vertoont men in Nederland alleen ná het hijsen van de gemeentevlag, én de provincievlag, én de Nederlandse vlag.) Overigens is het uitsteken of hijsen van vlaggen van mede-leden van de Verenigde Naties op grond van een der internationaal aanvaarde bepalingen zelfs verboden. Zowel de Verenigde Staten als Zwitserland (geen VN-lid) staan erom bekend, dat zij rigoureus het misbruik van hun vlaggen, waar ook, tegengaan. Hoewel de Nederlandse wetgeving hierin ternauwernood voorziet, bestaan er verscheidene plaatselijke politieverordeningen, waarbij het gebruik van andere vlaggen dan gemeentelijke, provinciale, Nederlandse (en eventueel Oranje- en pauselijke) vlaggen is verboden.
In normale omstandigheden worden vlaggen altijd voluit ten top gehesen, en wel van zonsopgang tot zonsondergang. Na zonsondergang mogen geen vlaggen worden gebezigd (tenzij, volgens een nieuw gegroeid gebruik, een speciale schijnwerper is geplaatst om elke vlag afzonderlijk te verlichten). Des zondags wordt niet met officiële vlaggen gevlagd volgens een overoud Nederlands gebruik. De Overheid beveelt in dat geval het uitsteken van vlaggen op maandag aan. Het vlaghijsen geschiedt fors en vlot; langzaam ten top stijgende vlaggen horen niet thuis in het Nederlandse vlaggenprotocol. Fraaier is nog het zogenaamde breken van de vlag; in dat geval wordt de daartoe speciaal opgevouwen vlag in een bundeltje tot in de top van de mast gehesen, en vervolgens door een ruk aan het vlaggentouw in één keer geheel ontplooid. Ook het strijken (neerhalen) van de vlag dient vlot en snel te geschieden. Zowel tijdens het vlaghijsen als het -strijken neemt ieder die dit bijwoont een eerbiedige houding aan (militairen en gezagsdragers in uniform dienen de vlag te groeten door salueren; mannelijke niet-geüniformeerden worden geacht het hoofd te ontbloten), met het front gekeerd naar de vlag.
Indien ten rouw de vlag gehesen moet worden, kan dit op verschillende manieren geschieden. Algemeen gebruikelijk is het vol voorhijsen van de vlag en deze langzaam laten dalen tot halfstok, waar hij blijft uithangen. (Bij het strijken van een dergelijke vlag, eerst deze weer vol ten top halen.) Een andere methode is het vol voorhijsen van de vlag, waarvan vervolgens de vlaghoek wordt vastgebonden aan de vlaggenmast of -stok. Speciaal Fries is het gebruik van het vol voorhijsen van een vlag, waarin eenknoop is geslagen. Het omfloersen van een vlag met zwarte crêpe komt vrijwel alleen voor bij defileervlaggen. Het uithangen of hijsen van een geheel zwarte vlag (in andere landen meer gebruikelijk) in te onzent vrijwel in onbruik geraakt. Het 'rouwen' van vlaggen geschiedt nimmer door meer dan één vlag. Er wordt slechts gerouwd met die vlag welke het meest 'eigen' is aan de overledene. De andere vlaggen kunnen deze rouwende vlag volstok voorgehesen blijven omringen. (Op schepen, speciaal op binnenschepen, bezigt men bovendien vaak een driehoekige wimpel of wimpelvormige vlag. Deze is geheel zwart, met (voor R.K.) een wit kruis of (voor protestant) een witte halve boog, waarin een zwarte treurwilg of boom.) Het is algemeen gebruikelijk, bij overleden overheidsambtenaren in functie, de lijkkist te bedekken met een vlag in de 'eigen' (in dit geval dus rijks-, gemeente-, of provincie-) kleuren. De vlag wordt vlak voor het moment van teraardebestelling of crematie weggenomen, opgevouwen en na de plechtigheid aan de nabestaanden ter hand gesteld.
Wimpels delen niet in rouwbetoon. Indien men ze bezigt, blijven ze geheel in top gehesen. Op vierdagen van het Koninklijk Huis bezigt men in Nederland een Oranjewimpel, bij voorkeur aan een afzonderlijke vlaggenlijn gehesen boven de rood-wit-blauwe vlag. Wordt slechts gevlagd met een gemeente- of provincievlag, dan kan ook hierbij deze wimpel gebruikt worden. Het is ongebruikelijk om bij het bezigen van meer dan één vlag ook meerdere wimpels uit te hangen. Op vierdagen van de Rooms-Katholieke Kerk kan men desgewenst de vlag begeleiden door een wimpel in de wit-gele kleuren.
Zoals bij vlaghijsen en -strijken alle aanwezigen de vlag als symbool eerbied betuigen, zo is het gebruikelijk dat bij defilés en dergelijke 'de vlag' wordt gegroet. Hieruit volgt dat bij voorkeur in dergelijke optochten niet meer dan één exemplaar van de 'eigen' vlag wordt meegedragen. Zoals door militairen het vaandel aan de koningin wordt gepresenteerd, teneinde in de gelegenheid te stellen dit te groeten (zoals tijdens de plechtigheid bij de opening van de Staten-Generaal), zo worden vlaggen in optochten en defilés bij het passeren der autoriteiten fier omhoog gestoken, teneinde dezen te laten groeten. Op dit punt worden in Nederland zoveel fouten gemaakt dat welhaast het groeten met vlaggen bij het passeren van de autoriteiten traditioneel is geworden. Aangezien dit echter afbreuk doet aan de waardigheid van de vlag, moet het gebruik beslist worden afgeraden. Een vlag groet zelf nimmer en mag ook nooit de grond raken. Slechts in de R.K. Kerk tijdens de consecratie en bij het in processie passeren van het Allerheiligste neigen vlaggen in de richting van het altaar en processie. Vlaggen aanwezig bij een begrafenis- of crematieplechtigheid, kunnen op het hoogtepunt van de ceremonie ook een weinig neigen in de richting van de baar. In geval een regerend vorst in contact komt me de schuttersgilden, worden deze gildenvlaggen en vendels als enige over de grond uitgespreid en mogen ze worden betreden door de hoge bezoeker.
Een beschadigde, kapotgeslagen of vuilgeworden vlag dient onverwijld vervangen te worden, en op onopvallende wijze verbrand. Iedere vlag moet na gebruik (eventueel gedroogd) strak opgevouwen worden ofwel (wij kleinere vlaggen) opgerold rond de stok worden bewaard.
De Nederlandse vlag is het symbool van de eenheid en onafhankelijkheid van het Koninkrijk der Nederlanden. De vlag behoort overal waar zij op Nederlands grondgebied wordt ontplooid de ereplaats te hebben. De kleuren van de Nederlandse vlag zijn: helder vermiljoen, helder wit en kobaltblauw. Over de afmetingen van de vlag zijn geen voorschriften. In het algemeen dient de lengte zich te verhouden tot de breedte als 3:2. Op de Nederlandse vlag behoort geen enkele versiering of andere toevoeging te worden aangebracht. Ook het gebruik van een vlag louter voor versiering behoort te worden nagelaten. Wel mag vlaggendoek voor versiering - bijvoorbeeld in de vorm van draperieën - worden gebruikt.
De vlag dient te worden gehesen aan een stok waarvan de lengte zodanig is dat de vlag nimmer de grond raakt of het verkeer kan hinderen. Elke gehesen vlag moet bij zonsondergang worden neer- gehaald. Uitzondering hierop is mogelijk als de vlag zodanig verlicht wordt dat de kleuren duidelijk te zien zijn. Voor het halfstok hijsen van de vlag wordt de vlag eerst vol gehesen, daarna wordt zij langzaam en statig neergehaald. Bij het neerhalen van een halfstok gehesen vlag wordt deze eerst langzaam en statig vol gehesen en vervolgens op dezelfde wijze neergehaald. Bij het hijsen van meer vlaggen behoren deze van gelijke afmetingen te zijn en zo mogelijk op gelijke hoogte te worden gehesen. Bij het ontplooien van twee vlaggen is de ereplaats rechts, gerekend met de rug naar de vlaggen. Bij drie vlaggen behoort de Nederlandse vlag in het midden. Indien naast de Nederlandse vlag vlaggen van andere naties worden gehesen, is voor de onderlinge rangorde in het algemeen de eerste letter van de namen van de betrokken landen in de Franse taal bepalend.
Ten aanzien van het uitsteken van de Nederlandse vlag wordt onderscheid gemaakt tussen 'uitgebreid vlaggen' en 'beperkt vlaggen'. Bij 'uitgebreid vlaggen', zoals het geval op Koninginnedag, wordt de vlag uitgestoken van alle rijksgebouwen, bij 'beperkt vlaggen' behoeft de vlag alleen te worden uitgestoken van de hoofdgebouwen van de departementen, benevens van de hoofdgebouwen van de niet (rechtstreeks) onder de departementen vallende instellingen, zoals die van de Kamers der Staten-Generaal, de Raad van State, de Algemene Rekenkamer, het Kabinet der Koningin en de Hoge Raad. Burgers en bedrijven zijn vrij in het vlaggen. Dan de vaste data voor het vlaggen, uitgebreid (UV) en beperkt (BV). Indien een datum op een zondag of op een algemeen erkende christelijke feestdag valt, dient op de tussen haakjes vermelde datum te worden gevlagd:
| 31 januari (1 februari) | verjaardag van de Koningin | BV |
| 27 april (28 april) | verjaardag van de Prins van Oranje | BV |
| 30 april (29 april) | Koninginnedag | UV |
| 4 mei | Dodenherdenking, halfstok vlaggen van 18.00 uur tot zonsondergang. | UV |
| 5 mei | Nationale bevrijdingsdag | UV |
| 17 mei | verjaardag van Prinses Máxima | BV |
| 15 augustus (16 augustus) | formeel einde Tweede Wereldoorlog | UV |
| 3e dinsdag van september | opening van de Staten-Generaal (alleen in 's-Gravenhage) | UV |
| 15 december (16 december) | Koninkrijksdag | BV |
Minister van Algemene Zaken (1980), Vlag-protocol, bericht nr 298801
Hoe dient men de vlag te gebruiken?
Wanneer wordt de vlag gehesen van overheidsgebouwen?
Website:Flags of the World
Poels, J (2000), Rood-wit-blauw of oranje boven?, NRC Handelsblad 28 april 2000
Ekelmans (2003), Nederlandse vlag, Klassewerk Calandtroep