September 1998
In 1977 pleit de Raad voor het streven om vanuit een collectiviteit te komen tot meer individuele ontwikkeling. In de jaren 80 en begin jaren 90 kenmerkt de Raad de individualisering juist als een zorgwekkende ontwikkeling, een bedrijging voor solidariteit en collectiviteit. In de studies van eind jaren 90 wordt de voortgaande individualisering echter aangegrepen om de oplossing te bieden voor een solidaire sociale zekerheid.
Arbeid neemt in de samenleving van 1977 een centrale postitie in en beinvloed ook andere sectoren in onze maatschappij. Opvattingen over arbeid zijn echter aan verandering onderhevig, dit wijst er op dat er een toenemende verscheidenheid aan opvattingen ontstaat; emancipatie.
De uitstoting uit het arbeidsproces blijkt selectief te verlopen. De verschillen in legitimering om niet-actief aan het arbeidsproces deel te nemen, bepalen mede de bereidheid van de actieven tot het doen van overdrachten.
In het verlengde hiervan komt de Raad in 1977 met het rapport "Over sociale ongelijkheid, Een beleidsgerichte probleemverkenning".
De Raad is van oordeel dat de spanningen in de sociale stratificatie in de vijftien jaren voorafgaand aan 1977 groter geworden zijn. Deze sociale stratificatie is ontstaan met het tot ontwikkeling komen van het moderne productiestelsel. Met de verdere ontwikkeling van dat stelsel is tegelijker tijd een culturele eenheid ontstaan, waarin de gelijkheid meer benadrukt wordt dan de ongelijkheid. De legitimiteit van de bestaande sociale stratificatie wordt hierdoor verzwakt.
De subjectieve ongelijkheid zoals die door het individu wordt ervaren heeft voor het overheidbeleid een signalerende en legitimerende functie. De Raad signaleerd dat opvattingen geleidelijk zover naar elkaar toegroeiden dat compromissen mogelijk werden, maar dat hiermee ook de grens van de eensgezindheid bereikt was. Er is geen algemene aanvaarding van en geen vertrouwen in het sociale beleid van de overheid. (Van Heek, 1972) Er is spanning tussen het gestelde rechtskarakter van de verzorging en de ervaring van het gunstkarakter van de praktijk van de verzorging. (Schuyt, 1976)
Onder individualisering worden: verandering in de huishoudensstructuur en veranderingen in rolpatronen verstaan. De situatie van 1985 wordt gekenmerkt door een pluriform patroon van leefvormen. De veranderingen hebben voor het stelsel van sociale zekerheid enkele moeilijke dilemma's opgeleverd, die gecentreerd zijn rondom het thema individualisering en behoefte; gelijkberechtiging versus differentiatie.
In het individualiseringsmodel staat een benadering centraal die uitsluitend uitgaat van de individuele rechten en plichten, dus geheel onafhankelijk van de sociale bindingen van het individu. Berekenend gedrag zou kunnen samenhangen met de ontwikkeling van de perceptie van sociale zekerheid van gunst naar recht, met een toegenomen differentiatie van gedragsnormen, en met de toegenomen complexiteit van het sociale zekerheidsstelsel.
In het rapport "Activerend Arbeidsmarktbeleid" uit 1987 neemt de Raad een flexibilisering van de arbeid waar. Het is een belangrijk uitgangspunt dat van onvrijwillig werklozen een actieve herorientatie op de arbeidsmarkt mag worden gevraagd.
In 1994 schetst de Raad in het rapport "Belang en beleid, Naar een verantwoorde uitvoering van de werknemersverzekeringen" de individualisering als maatschappelijk probleem.
Kenmerkend voor een verzorgingsstaat is het bestaan van wettelijke collectieve arrangementen ter bestrijding van tekorten en tegenslagen die individuele burgers kunnen treffen. Het rechten-karakter van deze voorziening schept een bijzonder beheersbaarheidsprobleem.
Er hebben zich twee maatschappelijke ontwikkelingen voorgedaan die de contraprestatie van gerechtigden ondermijnen om het beroep op sociale zekerheidsarrangementen te beperken: wat in de wandelgangen calculerend gedrag is gaan heten en de vergrijzing van doelgroepen in een voortgaand proces van individualisering. Op het individualiseringsproces heeft het bestuur reageerd met een intensivering van wet- en regelgeving. Een dergelijk beleid is steeds moeilijker handhaafbaar gebleken.
De sociale zekerheid van de toekomst zal moeten passen bij een economie die steeds flexibeler wordt en een samenleving die steeds ondernemender trekken vertoont. De sociale zekerheid moet een twee-eenheid met de arbeidsmarkt gaan vormen. Het gaat erom een beleid te ontwikkelen dat zwaar inzet op een verhoging van de bewerktuiging en inzetbaarheid (employability) van mensen.
Het stelsel wordt middels individuele contracten nadrukkelijk in een rechten-plichtenschema geplaatst, waarbij de plichten individueel op maat gesneden moeten worden; plichtendifferentiatie. Die plichten verschillen per persoon; afhankelijk van het individuele kennen en kunnen. Dit vergt een zekere beleidsvrijheid voor de uitvoeringsorganen van de sociale zekerheid om in ongelijke gevallen/mensen ook ongelijk te behandelen.
Het denken over de taken van de verzorgingsstaat moet vernieuwd worden. Een robuust en zelf-adaptief stelsel van sociale zekerheid zal moeten appelleren aan de eigen verantwoordelijkheden van burgers, bedrijven en uitvoeringsorganisaties, aan hun creatieve en ondernemende potenties, kortom: een ondernemende samenleving'.
In de voorstudie van de Raad "Staat in beweging" (Donner, 1998) wordt een lans gebroken voor de diversiteit van het individu.
Wanneer men als lid van een groep is geëmancipeerd, ontstaat vervolgens licht de behoefte aan emancipatie van het groepsverband zelf, zeker wanneer de ongelijkheid' die de aanvankelijke aanzet daarvoor vormde naar de achtergrond verdwijnt. Zo gaat het emancipatieproces geleidelijk over in verschijnselen als individualisering, differentiatie in leefwijzen en maatschappelijke diversiteit. Hoe meer de overheid gelijke voorwaarden, omstandigheden en postities schept, des te meer nadruk krijgen de resterende verschillen. Wetten en regels die bedoeld zijn om gelijkheid te verzekeren, leiden tot achterstelling en isolatie.
"Vooruit" op basis van de huidige concepten biedt mitsdien geen oplossing, maar "achteruit" in de vorm van beperking van de overheidstaak, deregulering, decentralisatie en privatisering evenmin. Een wezenlijke functie van de overheid is om verkeer binnen de samenleving mogelijk te maken. Het proces van toenemende individuele pluriformiteit en verscheidenheid vergt dan ook regels die het handelen voorspelbaar en betrouwbaar maken.
Het zijn ook niet de uitgangspunten en beginselen zelf - gelijkheid, eenheid en zekerheid - die in het geding zijn, maar de invulling die daar in de loop van de tijd aan is gegeven. Het proces van emancipatie van individuen op basis van een concept van gelijkheid zal ten dele plaats moeten maken voor een proces van emancipatie van diversiteit op basis van de gelijkwaardigheid van de verschillen.
Derde raadsperiode:
1985 Waarborgen voor zekerheid
1987 Activerend Arbeidsmarktbeleid
Vijfde raadsperiode:
1994 Belang en Beleid
1997 Van verdelen naar verdienen
1998 Staat in beweging (voorstudie)