Mei 1999
Bezitsverhoudingen zijn voor de maatschappij altijd van bijzonder grote betekenis geweest. Dit komt doordat bezit gepaard gaat met twee belangrijke zaken. Ten eerste verschaft bezit macht, Wie bezit heeft kan dit bezit beheren. Hij kan over het bezit zeggenschap uitoefenen, erover beschikken. Ten tweede geeft bezit recht op inkomen. De eigenaar heeft recht op de vruchten van zijn bezit (Albeda, 1963, 20-21). In lijn met deze redenering kan men stellen dat ook schuld met twee zaken gepaard gaat: afhankelijkheid van de kredietverlener en de plicht tot betaling van renten en aflossing.
De weg naar bezitsvorming is sparen, dat wil zeggen: het niet consumeren van beschikbaar inkomen. Zonder de bereidheid tot het sparen, en de mogelijkheid om te sparen is elke vorm van vrijwillige bezitsvorming uitgesloten (Albeda, 1963, 32). De mogelijkheid om te sparen is afhankelijk van de inkomsten en de (vaste) lasten van het huishouden. De weg naar schuldvorming, het tegenovergestelde van bezitsvorming, is lenen. Lenen is het consumeren van toekomstig inkomen, een zekere overconsumptie van het huishouden. De mogelijkheid om een schuld af te lossen is evenals sparen afhankelijk van de inkomsten en de (vaste) lasten van het huishouden. Een schuld waar een dekking in de vorm van duurzaam bezit tegenover staat vormt een minder fundamenteel probleem dan een schuld ten behoeve van de dagelijkse consumptie. Het duurzame bezit geeft een zekere capaciteit voor de aflossing van de schuld.
Schulden worden veelal gemaakt wanneer een huishouden voor grote onvoorziene uitgaven staat of er op een bepaald moment in inkomen op achteruit gaat. De commissie Schuldenproblematiek deelt de oorzaken van de problematische schulden als volgt in:
In de Sociale Culturele Verkenningen 1995 wordt geconcludeerd dat de reden waarom een huishouden moeilijk kan rondkomen of hoge schulden maakt, slechts ten dele zijn terug te voeren op de inkomens, huishoud, of woonsituatie. Het financieel management, het kunnen omgaan met (weinig) geld, is eveneens van groot belang. Schuldenproblematiek is daarom voor een belangrijk deel iets anders dan inkomensproblematiek. Het maken van schulden heeft niet alleen te maken met een laag inkomen, maar ook met de levensfase van de betrokkenen en de wijze waarop men met (beperkte) financiële middelen omgaat.
Wanneer huishoudens op het minimum niet zorgen voor een goede balans tussen de verschillende kostenposten en/of onverwacht voor eenmalige dure uitgaven komen te staan, is volgens de Sociale minima Trendstudie 1980-1994 de kans reëel dat men in een problematische schuldsituatie geraakt.
Bij ongeveer dertig procent van de huishoudens die een bijstandsuitkering ontvangen en die schulden maken zijn de belangrijkste schulden ontstaan voordat men een uitkering ontving. Bij bijna zestig procent zijn de schulden ontstaan nadat men een uitkering kreeg. In de meeste gevallen ontstonden deze laatstgenoemde schulden vlak na de start van de uitkering. Bij aanhoudende bijstandsafhankelijkheid zijn deze huishoudens niet of nauwelijks in staat deze schulden af te lossen (SZW, 1995, 13). Problematische schulden kunnen deels worden voorkomenen door bijzondere bijstand te verstrekken voor duurzame gebruiksgoederen als bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven (SZW, 1995, 30).
In de Sociale Culturele Verkenningen 1995 staat dat huishoudens die recentelijk zijn verhuisd nogal eens moeite hebben de eindjes aan elkaar te knopen. Dit geeft ook de kwetsbare positie aan van vrouwen die na echtscheiding van een bijstandsuitkering afhankelijk worden. Niet alleen heeft men te maken met een terugval in het inkomen, maar ook vaak met een verhuizing en kosten voor een nieuwe woninginrichting.
De Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP) introduceert de wettelijke schuldsanering als nieuwe mogelijkheid voor schuldenaren (natuurlijke personen en zelfstandig ondernemers). Het wettelijke traject, met tussenkomst van de rechter, dient als laatste middel te worden beschouwd, als een minnelijk regeling niet lukt (TK, 1998, 5). Als gevolg hiervan zullen vrijwillige schuldregelingen naar verwachting eerder tot stand komen dan voorheen het geval was.(SZW 1995, 29)
De Wet op het Consumentenkrediet (WCK) is een belangrijk instrument om overkreditering tegen te gaan. Doel is de kredietverlening aan consumenten op een verantwoorde wijze te doen plaatsvinden. Overkreditering en problematische schuldsituaties kunnen hierdoor worden voorkomen. (SZW, 1995, 30)
H0: Er is geen samenhang tussen inkomenspositie en de mate van schuldenproblematiek
H1: Er is een samenhang tussen inkomenspositie en de mate van schuldenproblematiek.
H0: Er is geen samenhang tussen inkomenspositie en de omvang van de netto bezit.
H1: Er is een samenhang tussen inkomenspositie en de omvang van de netto bezit.
H0: Er is geen samenhang tussen inkomenspositie en de omvang van de netto schuld.
H1: Er is een samenhang tussen inkomenspositie en de omvang van de netto schuld.
Bruto Schulden - De totale bruto omvang van de schulden bestaat uit de cumulatie van de afzonderlijke restantschulden van:
Netto positie - De netto positie bestaat uit de bruto bezittingen minus de bruto schulden. Indien de netto positie positief is kan er gesproken worden van netto bezit, indien de netto positie negatief is kan er gesproken worden van netto schulden. Veronderstelling is dat schulden waar waardeerbare bezittingen tegenover staan niet als problematisch aangemerkt mogen worden. Populistisch gezegt: "Anders verkoop je toch gewoon de boot". De netto positie zal dan ook gehanteerd worden om de schuldenproblematiek vast te stellen.
Inkomenspositie - De inkomenspositie is gebaseerd op het totale besteedbare huishoud inkomen (variabele NTOTHINK).
Levenssituatie - De levenssituatie is gebaseerd op de huishoudsamenstelling (variabele NSAMHH). Deze variabele geeft inzicht in de samenlevingsvorm, partner, kinderen en andere inwonenden.
Schuldenproblematiek - Wanneer schuld(en) een schuldenproblematiek gaan vormen is alleen subjectief en dus langs arbitraire weg vast te stellen. De ernst van een schuld voor een huishouden is primair afhankelijk van het voor aflossing beschikbare inkomen. Middels de aflossingsfictie wordt hiervan een schatting gemaakt. Het beleidsmatig minimum wordt daarbij als strikt noodzakelijke uitgaven voor het dagelijks levensonderhoud aangemerkt. De aflossingsfictie wordt nu vastgesteld door het beleidsmatig minimum op de inkomenspositie in mindering te brengen. De aflossingsfictie houdt geen rekening met de rentelasten en de looptijd van de schuld, noch met de effecten van gewenning aan een bepaald welvaartsniveau. De volgende formule geeft een quote die een indicatie moet geven van de ernst van de schuldenproblematiek:
|
Inkomenspositie -/- Beleidsmatig minimum |
|
---------------------------------------------- |
| Netto schulden |
De formule geeft een indicatie van de mate waarin een huishoudeenheid de gelegenheid heeft om met het huishoudinkomen de netto schuld in een jaar af te lossen. Daarbij zal de eenheid haar uitgavenpatroon moeten terugbrengen op het beleidsmatig minimum.
Bij deze quote zijn drie categorieën te onderscheiden, waarbij geldt dat bij een hogere
quote de
schuld minder problematisch is.
| < 0 | toename schuld op basis van de aflossingsfictie en netto schuld |
| 0 - 1 | afname schuld op basis van de aflossingsfictie en netto schuld |
| 1 > | dekking schuld op basis van de aflossingsfictie en netto schuld |
Nadat de waarden en categorieën van de verschillende variabelen zijn bepaald zijn de frequentie verdelingen gemaakt. De netto positie en de schuldenproblematiek quote zijn in kruistabellen weergegeven met inkomenspositie en levenssituatie. Op grond waarvan de samenhang, correlatie en significatie zijn bepaald.
| Frequentie | Percentage | |
| nihil | 5773 | 48,1 |
| 1 t/m 50.000 gulden | 2301 | 19,2 |
| 50.001 t/m 100.000 gulden | 1680 | 14,0 |
| 100.001 t/m 150.000 gulden | 1599 | 13,3 |
| 150.001 t/m 200.000 gulden | 342 | 2,8 |
| meer dan 200.000 gulden | 320 | 2,7 |
| totaal | 12015 | 100,0 |
Met betrekking tot de bruto schuld kan opgemerkt worden dat 48,1% van de respondenten geen schulden heeft. Schulden boven de anderhalve ton komen maar spaarzaam (5,5%) voor. De gemiddelde schuld bedraagt 42.928 gulden, met een standaard afwijking van 65.249 gulden. De populatie kent een bruto schuld van 515.778.039 gulden.
| Frequentie | Percentage | |
| nihil | 2380 | 19,8 |
| 1 t/m 50.000 gulden | 3056 | 25,4 |
| 50.001 t/m 100.000 gulden | 802 | 6,7 |
| 100.001 t/m 150.000 gulden | 1831 | 15,2 |
| 150.001 t/m 200.000 gulden | 1842 | 15,3 |
| meer dan 200.000 gulden | 2104 | 17,5 |
| totaal | 12015 | 100,0 |
Een 45,2% van de respondenten heeft een bescheiden bezit van onder de halve ton. Een belangrijke vorm van bezit is het eigen huis. Dit verklaart ook dat er na afname van bezit over de verdeling (6,7%) een toename is waar te nemen. Het gemiddelde bezit bedraagt 177.946 gulden, met een standaard afwijking van 827.504 gulden. De populatie kent een bruto schuld van 2.138.008.534 gulden.
| Frequentie | Percentage | |
| meer dan 200.000 gulden | 1092 | 9,1 |
| 200.001 t/m 150.000 gulden | 857 | 7,1 |
| 150.001 t/m 100.000 gulden | 1073 | 8,9 |
| 100.001 t/m 50.000 gulden | 1617 | 13,5 |
| 50.001 t/m 1 gulden | 4358 | 36,3 |
| nihil | 2239 | 18,6 |
| 1 t/m 50.000 gulden | 772 | 6,4 |
| minder dan 50.000 gulden | 8 | 0,1 |
| totaal | 12015 | 100,0 |
Na verrekening van de bruto schuld en het bruto bezit worden een behoorlijk aantal schulden en bezittingen tegen elkaar gecompenseerd. Zo is onder andere het effect van waarschijnlijk de hypotheek waar te nemen, de klasse van meer dan 100.000 gulden neemt af. De kern komt nog sterker te liggen bij het bezit van nihil tot 50.000 gulden. De gemiddelde positie is 135.018 gulden, met een standaard afwijking van 824.051 gulden. De populatie kent een netto positie van 1.622.230.494 gulden. Slechts 6,5% van de respondenten hebben een netto schuld. Om een duidelijk inzicht te krijgen in de netto schuld moet de klassenindeling verfijnt worden.
| Frequentie Percentage | ||
| 1 t/m 5.000 gulden | 446 | 57,2 |
| 5.001 t/m 10.000 gulden | 153 | 19,6 |
| 10.001 t/m 15.000 gulden | 71 | 9,1 |
| 15.001 t/m 20.000 gulden | 44 | 5,6 |
| meer dan 20.000 gulden | 65 | 8,4 |
| totaal | 780 | 100,0 |
De meeste respondenten (57,2%) hebben een beperkte netto schuld, minder dan 5.000 gulden. De gemiddelde netto schuld is 9850 gulden, met een standaard afwijking van 42.335 gulden. De populatie kent een netto schuld van 7.681.889 gulden. De respondenten met probleemschulden (17,5%) worden weergegeven in tabel 5, hun schuld neemt toe op basis van de aflossingsfictie.
| Frequentie | Percentage | |
| toename van schuld | 130 | 17,5 |
| afname van schuld | 127 | 17,2 |
| dekking van schuld | 484 | 65,3 |
| totaal | 741 | 100,0 |
Er is geen sprake van significante uitkomsten, deze gelden dus niet voor de populatie. Er is een samenhang tussen de netto positie en de inkomenspositie (tabel 6). Indien men geen bezit of een schuld heeft dan zijn de percentages huishoudens het hoogst bij de inkomensposities onder de 40.000 gulden. Indien men bezit heeft van meer dan 5.000 gulden dan zijn de percentages huishoudens het hoogst bij inkomensposities boven de 60.000 gulden. Er is een zwakke correlatie (Spearman 0.243) tussen netto positie en de inkomenspositie.
| CATEGORIE NETTO POSITIE |
CATAGORIE HUISHOUDINKOMEN | Total | ||||||
| minder dan 0 | 1 t/m 20000 | 20001 t/m 40000 | 40001 t/m 60000 | 60001 t/m 80000 | meer dan 80001 | |||
| minder dan -200000 | Count | 2 | 2 | |||||
| % | 1.9% | .0% | ||||||
| -100000 t/m -50001 | Count | 6 | 6 | |||||
| % | .2% | .1% | ||||||
| -50000 t/m -1 | Count | 8 | 164 | 273 | 186 | 56 | 45 | 732 |
| % | 7.7% | 10.9% | 6.9% | 5.2% | 4.1% | 7.2% | 6.6% | |
| nihil | Count | 39 | 249 | 1144 | 500 | 171 | 29 | 2132 |
| % | 37.5% | 16.5% | 28.8% | 14.1% | 12.5% | 4.6% | 19.2% | |
| 1 t/m 50000 | Count | 20 | 803 | 1380 | 1419 | 445 | 67 | 4134 |
| % | 19.2% | 53.2% | 34.7% | 40.0% | 32.6% | 10.7% | 37.2% | |
| 50001 t/m 100000 | Count | 12 | 91 | 452 | 535 | 223 | 187 | 1500 |
| % | 11.5% | 6.0% | 11.4% | 15.1% | 16.3% | 29.8% | 13.5% | |
| 100001 t/m 150000 | Count | 4 | 49 | 294 | 297 | 206 | 94 | 944 |
| % | 3.8% | 3.2% | 7.4% | 8.4% | 15.1% | 15.0% | 8.5% | |
| 150001 t/m 200000 | Count | 12 | 52 | 206 | 267 | 121 | 85 | 743 |
| % | 11.5% | 3.4% | 5.2% | 7.5% | 8.9% | 13.5% | 6.7% | |
| meer dan 200000 | Count | 7 | 100 | 217 | 342 | 145 | 121 | 932 |
| % | 6.7% | 6.6% | 5.5% | 9.6% | 10.6% | 19.3% | 8.4% | |
| Total | Count | 104 | 1508 | 3972 | 3546 | 1367 | 628 | 11125 |
| % | 100.0% | 100.0% | 100.0% | 100.0% | 100.0% | 100.0% | 100.0% | |
Er is een samenhang tussen de netto positie en de levenssituatie (tabel 7). Indien met een schuld heeft tot 5.000 gulden dan zijn de percentages huishoudens het hoogst bij "man of vrouw met kinderen" en "man of vrouw met kinderen en vaste partner". Indien men bezit noch schuld heeft dan zijn de percentages huishoudens het hoogst bij "man of vrouw met kinderen en vaste partner" en "overige meergezinshuishoudens". Er is een zwakke correlatie (Eta 0.225) tussen netto positie en levenssituatie.
| CATEGORIE NETTO POSITIE | SAMENSTELLING HUISHOUDEN | Total | ||||||||||||
| een persoons huishouden | twee persoons niet-gezins huishouden | twee persoons niet-gezins huishouden vaste partner | drie of meer persoons niet-gezins huishouden | echtpaar zonder kinderen en zonder anderen | echtpaar kinderen | echtpaar anderen | echtpaar kinderen en anderen | man of vrouw kinderen | man of vrouw kinderen en anderen | man of vrouw kinderen en vaste partner | overige meergezins huishoudens
| |||
| minder dan -200000 | Count | 2 | 2 | |||||||||||
| % | .0% | .0% | ||||||||||||
| -100000 t/m -50001 | Count | 6 | 6 | |||||||||||
| % | .8% | .0% | ||||||||||||
| -50000 t/m -1 | Count | 221 | 6 | 72 | 109 | 259 | 66 | 36 | 4 | 773 | ||||
| % | 13.5% | 7.5% | 9.7% | 4.8% | 4.0% | 12.5% | 20.1% | 7.1% | 6.4% | |||||
| nihil | Count | 40 | 9 | 140 | 3 | 503 | 1229 | 12 | 177 | 87 | 39 | 2239 | ||
| % | 2.5% | 11.3% | 18.8% | 33.3% | 22.3% | 19.2% | 22.6% | 33.4% | 48.6% | 69.6% | 18.6% | |||
| 1 t/m 50000 | Count | 959 | 16 | 424 | 6 | 662 | 2066 | 16 | 184 | 12 | 13 | 4358 | ||
| % | 58.8% | 20.0% | 56.8% | 66.7% | 29.4% | 32.2% | 30.2% | 34.7% | 6.7% | 23.2% | 36.3% | |||
| 50001 t/m 100000 | Count | 131 | 15 | 46 | 248 | 1138 | 34 | 5 | 1617 | |||||
| % | 8.0% | 18.8% | 6.2% | 11.0% | 17.8% | 6.4% | 2.8% | 13.5% | ||||||
| 100001 t/m 150000 | Count | 85 | 17 | 5 | 230 | 656 | 9 | 37 | 11 | 24 | 1074 | |||
| % | 5.2% | 21.3% | .7% | 10.2% | 10.2% | 17.0% | 7.0% | 35.5% | 13.4% | 8.9% | ||||
| 150001 t/m 200000 | Count | 105 | 13 | 21 | 133 | 508 | 12 | 26 | 12 | 20 | 7 | 857 | ||
| % | 6.4% | 16.3% | 2.8% | 5.9% | 7.9% | 22.6% | 68.4% | 2.3% | 64.5% | 3.9% | 7.1% | |||
| meer dan 200000 | Count | 90 | 4 | 32 | 369 | 553 | 4 | 12 | 20 | 8 | 1092 | |||
| % | 5.5% | 5.0% | 4.3% | 16.4% | 8.6% | 7.5% | 31.6% | 3.8% | 4.5% | 9.1% | ||||
| Total | Count | 1631 | 80 | 746 | 9 | 2254 | 6411 | 53 | 38 | 530 | 31 | 179 | 56 | 12018 |
| % | 100.0% | 100.0% | 100.0% | 100.0% | 100.0% | 100.0% | 100.0% | 100.0% | 100.0% | 100.0% | 100.0% | 100.0% | 100.0% | |
Er is een samenhang tussen de schuldenproblematiek quote (SPQ) en het huishoudinkomen (tabel 8). Indien men scoort onder de nul (probleemschuld) dan zijn de percentages huishoudens het grootst bij een inkomenspositie onder de 20.000 gulden. Indien men scoort boven de 1 (dekking schuld) dan zijn de percentages huishoudens het hoogst bij een inkomenspositie boven de 60.000 gulden. Er is een matige correlatie (Spearman 0,636) tussen SPQ en inkomenspositie. Dit is te verklaren doordat de inkomenspositie in relatie staat tot het SPQ-formule.
| CATAGORIE SCHULDEN- PROBLEMATIEK | CATAGORIE HUISHOUDINKOMEN | Total | ||||||
| minder dan 0 | 1 t/m 20000 | 20001 t/m 40000 | 40001 t/m 60000 | 60001 t/m 80000 | meer dan 80001
| |||
| toename schuld | Count | 10 | 91 | 29 | 130 | |||
| % | 100.0% | 55.8% | 10.4% | 17.6% | ||||
| afname schuld | Count | 53 | 50 | 24 | 127 | |||
| % | 32.5% | 17.9% | 12.9% | 17.2% | ||||
| dekking schuld | Count | 19 | 201 | 162 | 56 | 45 | 483 | |
| % | 11.7% | 71.8% | 87.1% | 100.0% | 100.0% | 65.3% | ||
| Total | Count | 10 | 163 | 280 | 186 | 56 | 45 | 740 |
| % | 100.0% | 100.0% | 100.0% | 100.0% | 100.0% | 100.0% | 100.0% | |
Er is een samenhang tussen de SPQ en de levenssituatie (tabel 9). Indien men scoort onder de nul (probleemschuld) dan zijn de percentages huishoudens het hoogst bij "man of vrouw met kinderen" en "man of vrouw met kinderen en vaste partner". Indien men scoort boven de 1 (dekking schuld) dan zijn de percentages huishoudens het hoogst bij "tweepersoons niet-gezins huishoudens" en "echtpaar met kinderen". Er is een zwakke correlatie (Eta 0.357) tussen SPQ en levenssituatie.
| CATAGORIE SCHULDEN- PROBLEMATIEK | SAMENSTELLING HUISHOUDEN | Total | ||||||||
| een persoons huishouden | twee persoons niet-gezins huishouden | twee persoons niet-gezins huishouden vaste partner | echtpaar zonder kinderen en zonder anderen | echtpaar kinderen | man of vrouw kinderen | man of vrouw kinderen en vaste partner | overige meergezins huishoudens
| |||
| toename schuld | Count | 53 | 13 | 7 | 24 | 21 | 7 | 4 | 129 | |
| % | 24.5% | 16.9% | 7.0% | 9.2% | 31.8% | 63.6% | 100.0% | 17.4% | ||
| afname schuld | Count | 58 | 10 | 20 | 29 | 7 | 4 | 128 | ||
| % | 26.9% | 13.0% | 20.0% | 11.1% | 10.6% | 36.4% | 17.3% | |||
| dekking schuld | Count | 105 | 6 | 54 | 73 | 208 | 38 | 484 | ||
| % | 48.6% | 100.0% | 70.1% | 73.0% | 79.7% | 57.6% | 65.3% | |||
| Total | Count | 216 | 6 | 77 | 100 | 261 | 66 | 11 | 4 | 741 |
| % | 100.0% | 100.0% | 100.0% | 100.0% | 100.0% | 100.0% | 100.0% | 100.0% | 100.0% | |
Voor wat betreft de omvang van de schuldenproblematiek heeft slechts 6,5% van de respondenten een netto schuld en daarvan heeft 17,5% volgens de SPQ een problematische schuld. Er bestaat een zwakke samenhang van SPQ, bezit en schuld met de inkomenspositie en de levenssituatie. Huishoudens met een hoger inkomen hebben een hogere netto positie en minder kans op een probleemschuld. Huishoudens met een lager inkomen hebben een lagere netto positie en een grotere kans op een probleemschuld. Met name de huishoudtype "man of vrouw met kinderen" en "man of vrouw met kinderen en vaste partner" hebben een lagere netto positie en een grotere kans op een probleemschuld.
Hoewel binnen de steekproef alle H0 hypothesen worden verworpen, is er op alle gebieden toch slechts een zwakke samenhang geconstateerd. Het is dus waarschijnlijk dat er andere, niet in dit onderzoek beschreven, variabelen van invloed zijn op de schuldenproblematiek. Dit sluit aan bij de conclusie uit de Sociale Culturele Verkenningen 1995. Volgens dat rapport zijn de reden waarom een huishouden moeilijk kan rondkomen of hoge schulden maakt, slechts ten dele terug te voeren op de inkomens, huishoud, of woonsituatie. Het financieel management, het kunnen omgaan met (weinig) geld, is eveneens van groot belang. Schuldenproblematiek is daarom voor een belangrijk deel iets anders dan inkomensproblematiek.
CBS (1991), Sociaal Economisch Panelonderzoek 1991
Dekker, R. & D. Fouarge (1998), Leer van arbeid en sociale zekerheid V: praktisch gedeelte, Katholieke Universiteit Brabant, Tilburg
Ministerie van sociale Zaken en Werkgelegenheid (1995), De andere kant van nederland: Over preventie en bestrijding van stille armoede en sociale uitsluiting
Tweede Kamer (1998), 24515, nr. 50, Preventie en bestrijding van stille armoede en sociale uitsluiting; Verslag schriftelijk overleg n.a.v. het rapport "Praktijkervaringen in de schuldhulpverlening"