terug

Schuldenproblematiek in Nederland

1. Inleiding

Dit paper is geschreven voor het praktisch gedeelte van de cursus Leer van de arbeid en sociale zekerheid V. Binnen het thema "Armoede in Nederland vanuit overheidsperspectief" heb ik de Schuldenproblematiek in Nederland onderzocht op basis van het Nederlands Sociaal Economisch Panelonderzoek 1991. Onderstaande bedragen staan niet in euro's maar in guldens (€ 1 = 2,20 gulden).

Mei 1999

Onderzoeksvragen

Wat is de omvang van de schuldenproblematiek in Nederland en bestaat er een samenhang met de inkomenspositie en de levenssituatie? Is die samenhang anders voor mensen met bezittingen (assets) en spaartegoeden?
  1. Wat is de omvang van de schulden?
  2. Wat is de omvang van de bezittingen?
  3. Wat is de omvang van de inkomenspositie?
  4. Wanneer is er sprake van een schuldenproblematiek, en wat is de omvang?
  5. Zijn er verbanden tussen schulden, bezittingen enerzijds en inkomen en levenssituatie anderzijds?

Bezitsverhoudingen en problematische schulden

In de nota De andere kant van Nederland (1995,12-13) zijn problematische schulden omschreven als een dusdanige situatie, dat een huishouden niet in staat is om zonder hulp de aangegane verplichtingen te vervullen. Het aantal huishoudens met een problematische schuld wordt in 1995 geschat op 150.000 tot 200.000. Dit soort schulden beperkt zich niet tot huishoudens met een minimuminkomen.

Bezitsverhoudingen zijn voor de maatschappij altijd van bijzonder grote betekenis geweest. Dit komt doordat bezit gepaard gaat met twee belangrijke zaken. Ten eerste verschaft bezit macht, Wie bezit heeft kan dit bezit beheren. Hij kan over het bezit zeggenschap uitoefenen, erover beschikken. Ten tweede geeft bezit recht op inkomen. De eigenaar heeft recht op de vruchten van zijn bezit (Albeda, 1963, 20-21). In lijn met deze redenering kan men stellen dat ook schuld met twee zaken gepaard gaat: afhankelijkheid van de kredietverlener en de plicht tot betaling van renten en aflossing.

De weg naar bezitsvorming is sparen, dat wil zeggen: het niet consumeren van beschikbaar inkomen. Zonder de bereidheid tot het sparen, en de mogelijkheid om te sparen is elke vorm van vrijwillige bezitsvorming uitgesloten (Albeda, 1963, 32). De mogelijkheid om te sparen is afhankelijk van de inkomsten en de (vaste) lasten van het huishouden. De weg naar schuldvorming, het tegenovergestelde van bezitsvorming, is lenen. Lenen is het consumeren van toekomstig inkomen, een zekere overconsumptie van het huishouden. De mogelijkheid om een schuld af te lossen is evenals sparen afhankelijk van de inkomsten en de (vaste) lasten van het huishouden. Een schuld waar een dekking in de vorm van duurzaam bezit tegenover staat vormt een minder fundamenteel probleem dan een schuld ten behoeve van de dagelijkse consumptie. Het duurzame bezit geeft een zekere capaciteit voor de aflossing van de schuld.

Schulden worden veelal gemaakt wanneer een huishouden voor grote onvoorziene uitgaven staat of er op een bepaald moment in inkomen op achteruit gaat. De commissie Schuldenproblematiek deelt de oorzaken van de problematische schulden als volgt in:

In de Sociale Culturele Verkenningen 1995 wordt geconcludeerd dat de reden waarom een huishouden moeilijk kan rondkomen of hoge schulden maakt, slechts ten dele zijn terug te voeren op de inkomens, huishoud, of woonsituatie. Het financieel management, het kunnen omgaan met (weinig) geld, is eveneens van groot belang. Schuldenproblematiek is daarom voor een belangrijk deel iets anders dan inkomensproblematiek. Het maken van schulden heeft niet alleen te maken met een laag inkomen, maar ook met de levensfase van de betrokkenen en de wijze waarop men met (beperkte) financiële middelen omgaat.

Sociale Minima en schuldenproblematiek

In de Sociale minima Trendstudie 1980-1994 wordt geconcludeerd dat minimaal een derde deel van de huishoudens met een minimuminkomen een of meer schulden heeft. Een derde deel van deze schuldhuishoudens zo’n 10 tot 15 procent van alle minima heeft problematische schulden. Paradoxaal genoeg komt een groot aandeel van deze huishoudens vanwege hun slechte financiële situatie juist niet in aanmerking voor vrijwillige schuldsanering. Maar ook wanneer schuldsanering mogelijk is, zijn veel huishoudens niet definitief uit de problemen: zo’n dertig procent recidiveert.

Wanneer huishoudens op het minimum niet zorgen voor een goede balans tussen de verschillende kostenposten en/of onverwacht voor eenmalige dure uitgaven komen te staan, is volgens de Sociale minima Trendstudie 1980-1994 de kans reëel dat men in een problematische schuldsituatie geraakt.

Bij ongeveer dertig procent van de huishoudens die een bijstandsuitkering ontvangen en die schulden maken zijn de belangrijkste schulden ontstaan voordat men een uitkering ontving. Bij bijna zestig procent zijn de schulden ontstaan nadat men een uitkering kreeg. In de meeste gevallen ontstonden deze laatstgenoemde schulden vlak na de start van de uitkering. Bij aanhoudende bijstandsafhankelijkheid zijn deze huishoudens niet of nauwelijks in staat deze schulden af te lossen (SZW, 1995, 13). Problematische schulden kunnen deels worden voorkomenen door bijzondere bijstand te verstrekken voor duurzame gebruiksgoederen als bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven (SZW, 1995, 30).

In de Sociale Culturele Verkenningen 1995 staat dat huishoudens die recentelijk zijn verhuisd nogal eens moeite hebben de eindjes aan elkaar te knopen. Dit geeft ook de kwetsbare positie aan van vrouwen die na echtscheiding van een bijstandsuitkering afhankelijk worden. Niet alleen heeft men te maken met een terugval in het inkomen, maar ook vaak met een verhuizing en kosten voor een nieuwe woninginrichting.

Integraal schuldenbeleid

De commissie schuldenproblematiek concludeert dat in een integraal schuldenbeleid naast curatieve maatregelen in de vorm van minnelijke en wettelijke schuldregelingen ook preventieve maatregelen nodig zijn. Vroegtijdige signalering van schulden en doorverwijzing naar hulpverlenende instanties zijn in dit verband essentieel. Daarom gaan wij kort in op de betekenis van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen en de Wet op het Consumentenkrediet.

De Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP) introduceert de wettelijke schuldsanering als nieuwe mogelijkheid voor schuldenaren (natuurlijke personen en zelfstandig ondernemers). Het wettelijke traject, met tussenkomst van de rechter, dient als laatste middel te worden beschouwd, als een minnelijk regeling niet lukt (TK, 1998, 5). Als gevolg hiervan zullen vrijwillige schuldregelingen naar verwachting eerder tot stand komen dan voorheen het geval was.(SZW 1995, 29)

De Wet op het Consumentenkrediet (WCK) is een belangrijk instrument om overkreditering tegen te gaan. Doel is de kredietverlening aan consumenten op een verantwoorde wijze te doen plaatsvinden. Overkreditering en problematische schuldsituaties kunnen hierdoor worden voorkomen. (SZW, 1995, 30)

Hypothesen

Schuldenproblematiek
H0: Er is geen samenhang tussen levenssituatie en de mate van schuldenproblematiek
H1: Er is een samenhang tussen levenssituatie en de mate van schuldenproblematiek.

H0: Er is geen samenhang tussen inkomenspositie en de mate van schuldenproblematiek
H1: Er is een samenhang tussen inkomenspositie en de mate van schuldenproblematiek.

Bezittingen
H0: Er is geen samenhang tussen levenssituatie en de omvang van de netto bezit.
H1: Er is een samenhang tussen levenssituatie en de omvang van de netto bezit.

H0: Er is geen samenhang tussen inkomenspositie en de omvang van de netto bezit.
H1: Er is een samenhang tussen inkomenspositie en de omvang van de netto bezit.

Schulden
H0: Er is geen samenhang tussen levenssituatie en de omvang van de netto schuld.
H1: Er is een samenhang tussen levenssituatie en de omvang van de netto schuld.

H0: Er is geen samenhang tussen inkomenspositie en de omvang van de netto schuld.
H1: Er is een samenhang tussen inkomenspositie en de omvang van de netto schuld.

2. Opzet van de Analyse

Operationalisering

Voordat er enige analyse mogelijk was moeten eerst de begrippen in de vraagstelling gedefinieerd worden. Er is gekozen van een pragmatische definitie op basis van de beschikbare gegevens van het Sociaal Economisch Panelonderzoek 1991. Bij de berekening van de bruto schulden en de bruto bezittingen zijn de missing values gelijkgesteld aan nul.

Bruto Schulden - De totale bruto omvang van de schulden bestaat uit de cumulatie van de afzonderlijke restantschulden van:

Bruto Bezittingen - De totale bruto omvang van de bezittingen bestaat uit de cumulatie van de afzonderlijke (geschatte) waarde van: Volgens Albeda (1963) bestaan de volgende vormen van bezit: Consumptieve bezittingen, Spaartegoeden, Obligaties, Aandelen en Levensverzekeringen. De contante waarde van pensioenrechten en levensverzekeringen is desondanks niet opgenomen in de definitie van bruto bezittingen. De pensioenrechten en levensverzekeringen behoren wel tot de bruto bezittingen, ze zijn alleen niet te bepalen op grond van de CBS data, voorzover de contante waarde niet opgegeven onder overige besparingen of beleggingen.

Netto positie - De netto positie bestaat uit de bruto bezittingen minus de bruto schulden. Indien de netto positie positief is kan er gesproken worden van netto bezit, indien de netto positie negatief is kan er gesproken worden van netto schulden. Veronderstelling is dat schulden waar waardeerbare bezittingen tegenover staan niet als problematisch aangemerkt mogen worden. Populistisch gezegt: "Anders verkoop je toch gewoon de boot". De netto positie zal dan ook gehanteerd worden om de schuldenproblematiek vast te stellen.

Inkomenspositie - De inkomenspositie is gebaseerd op het totale besteedbare huishoud inkomen (variabele NTOTHINK).

Levenssituatie - De levenssituatie is gebaseerd op de huishoudsamenstelling (variabele NSAMHH). Deze variabele geeft inzicht in de samenlevingsvorm, partner, kinderen en andere inwonenden.

Schuldenproblematiek - Wanneer schuld(en) een schuldenproblematiek gaan vormen is alleen subjectief en dus langs arbitraire weg vast te stellen. De ernst van een schuld voor een huishouden is primair afhankelijk van het voor aflossing beschikbare inkomen. Middels de aflossingsfictie wordt hiervan een schatting gemaakt. Het beleidsmatig minimum wordt daarbij als strikt noodzakelijke uitgaven voor het dagelijks levensonderhoud aangemerkt. De aflossingsfictie wordt nu vastgesteld door het beleidsmatig minimum op de inkomenspositie in mindering te brengen. De aflossingsfictie houdt geen rekening met de rentelasten en de looptijd van de schuld, noch met de effecten van gewenning aan een bepaald welvaartsniveau. De volgende formule geeft een quote die een indicatie moet geven van de ernst van de schuldenproblematiek:

Inkomenspositie -/- Beleidsmatig minimum
----------------------------------------------
Netto schulden

De formule geeft een indicatie van de mate waarin een huishoudeenheid de gelegenheid heeft om met het huishoudinkomen de netto schuld in een jaar af te lossen. Daarbij zal de eenheid haar uitgavenpatroon moeten terugbrengen op het beleidsmatig minimum.

Bij deze quote zijn drie categorieën te onderscheiden, waarbij geldt dat bij een hogere quote de schuld minder problematisch is.
< 0 toename schuld op basis van de aflossingsfictie en netto schuld
0 - 1 afname schuld op basis van de aflossingsfictie en netto schuld
1 > dekking schuld op basis van de aflossingsfictie en netto schuld

Nadat de waarden en categorieën van de verschillende variabelen zijn bepaald zijn de frequentie verdelingen gemaakt. De netto positie en de schuldenproblematiek quote zijn in kruistabellen weergegeven met inkomenspositie en levenssituatie. Op grond waarvan de samenhang, correlatie en significatie zijn bepaald.

3. Resultaten van de analyse

CATAGORIE BRUTO SCHULD - tabel 1
Frequentie Percentage
nihil 5773 48,1
1 t/m 50.000 gulden 2301 19,2
50.001 t/m 100.000 gulden 1680 14,0
100.001 t/m 150.000 gulden 1599 13,3
150.001 t/m 200.000 gulden 342 2,8
meer dan 200.000 gulden 320 2,7
totaal 12015 100,0

Met betrekking tot de bruto schuld kan opgemerkt worden dat 48,1% van de respondenten geen schulden heeft. Schulden boven de anderhalve ton komen maar spaarzaam (5,5%) voor. De gemiddelde schuld bedraagt 42.928 gulden, met een standaard afwijking van 65.249 gulden. De populatie kent een bruto schuld van 515.778.039 gulden.

CATAGORIE BRUTO BEZIT - tabel 2
Frequentie Percentage
nihil 2380 19,8
1 t/m 50.000 gulden 3056 25,4
50.001 t/m 100.000 gulden 802 6,7
100.001 t/m 150.000 gulden 1831 15,2
150.001 t/m 200.000 gulden 1842 15,3
meer dan 200.000 gulden 2104 17,5
totaal 12015 100,0

Een 45,2% van de respondenten heeft een bescheiden bezit van onder de halve ton. Een belangrijke vorm van bezit is het eigen huis. Dit verklaart ook dat er na afname van bezit over de verdeling (6,7%) een toename is waar te nemen. Het gemiddelde bezit bedraagt 177.946 gulden, met een standaard afwijking van 827.504 gulden. De populatie kent een bruto schuld van 2.138.008.534 gulden.

CATAGORIE NETTO POSITIE - tabel 3
Frequentie Percentage
meer dan 200.000 gulden 1092 9,1
200.001 t/m 150.000 gulden 857 7,1
150.001 t/m 100.000 gulden 1073 8,9
100.001 t/m 50.000 gulden 1617 13,5
50.001 t/m 1 gulden 4358 36,3
nihil 2239 18,6
1 t/m 50.000 gulden 772 6,4
minder dan 50.000 gulden 8 0,1
totaal 12015 100,0

Na verrekening van de bruto schuld en het bruto bezit worden een behoorlijk aantal schulden en bezittingen tegen elkaar gecompenseerd. Zo is onder andere het effect van waarschijnlijk de hypotheek waar te nemen, de klasse van meer dan 100.000 gulden neemt af. De kern komt nog sterker te liggen bij het bezit van nihil tot 50.000 gulden. De gemiddelde positie is 135.018 gulden, met een standaard afwijking van 824.051 gulden. De populatie kent een netto positie van 1.622.230.494 gulden. Slechts 6,5% van de respondenten hebben een netto schuld. Om een duidelijk inzicht te krijgen in de netto schuld moet de klassenindeling verfijnt worden.

CATAGORIE NETTO SCHULD - tabel 4
Frequentie Percentage
1 t/m 5.000 gulden 446 57,2
5.001 t/m 10.000 gulden 153 19,6
10.001 t/m 15.000 gulden 71 9,1
15.001 t/m 20.000 gulden 44 5,6
meer dan 20.000 gulden 65 8,4
totaal 780 100,0

De meeste respondenten (57,2%) hebben een beperkte netto schuld, minder dan 5.000 gulden. De gemiddelde netto schuld is 9850 gulden, met een standaard afwijking van 42.335 gulden. De populatie kent een netto schuld van 7.681.889 gulden. De respondenten met probleemschulden (17,5%) worden weergegeven in tabel 5, hun schuld neemt toe op basis van de aflossingsfictie.

SCHULDENPROBLEMATIEK QUOTE - tabel 5
Frequentie Percentage
toename van schuld 130 17,5
afname van schuld 127 17,2
dekking van schuld 484 65,3
totaal 741 100,0

Er is geen sprake van significante uitkomsten, deze gelden dus niet voor de populatie. Er is een samenhang tussen de netto positie en de inkomenspositie (tabel 6). Indien men geen bezit of een schuld heeft dan zijn de percentages huishoudens het hoogst bij de inkomensposities onder de 40.000 gulden. Indien men bezit heeft van meer dan 5.000 gulden dan zijn de percentages huishoudens het hoogst bij inkomensposities boven de 60.000 gulden. Er is een zwakke correlatie (Spearman 0.243) tussen netto positie en de inkomenspositie.

CATEGORIE NETTO POSITIE * CATAGORIE HUISHOUDINKOMEN - tabel 6

CATEGORIE NETTO POSITIE
CATAGORIE HUISHOUDINKOMEN Total
minder dan 0 1 t/m 20000 20001 t/m 40000 40001 t/m 60000 60001 t/m 80000 meer dan 80001
minder dan -200000 Count 2




2
% 1.9%




.0%
-100000 t/m -50001 Count

6


6
%

.2%


.1%
-50000 t/m -1 Count 8 164 273 186 56 45 732
% 7.7% 10.9% 6.9% 5.2% 4.1% 7.2% 6.6%
nihil Count 39 249 1144 500 171 29 2132
% 37.5% 16.5% 28.8% 14.1% 12.5% 4.6% 19.2%
1 t/m 50000 Count 20 803 1380 1419 445 67 4134
% 19.2% 53.2% 34.7% 40.0% 32.6% 10.7% 37.2%
50001 t/m 100000 Count 12 91 452 535 223 187 1500
% 11.5% 6.0% 11.4% 15.1% 16.3% 29.8% 13.5%
100001 t/m 150000 Count 4 49 294 297 206 94 944
% 3.8% 3.2% 7.4% 8.4% 15.1% 15.0% 8.5%
150001 t/m 200000 Count 12 52 206 267 121 85 743
% 11.5% 3.4% 5.2% 7.5% 8.9% 13.5% 6.7%
meer dan 200000 Count 7 100 217 342 145 121 932
% 6.7% 6.6% 5.5% 9.6% 10.6% 19.3% 8.4%
Total Count 104 1508 3972 3546 1367 628 11125
% 100.0% 100.0% 100.0% 100.0% 100.0% 100.0% 100.0%

Er is een samenhang tussen de netto positie en de levenssituatie (tabel 7). Indien met een schuld heeft tot 5.000 gulden dan zijn de percentages huishoudens het hoogst bij "man of vrouw met kinderen" en "man of vrouw met kinderen en vaste partner". Indien men bezit noch schuld heeft dan zijn de percentages huishoudens het hoogst bij "man of vrouw met kinderen en vaste partner" en "overige meergezinshuishoudens". Er is een zwakke correlatie (Eta 0.225) tussen netto positie en levenssituatie.

CATEGORIE NETTO POSITIE * SAMENSTELLING HUISHOUDEN - tabel 7
CATEGORIE NETTO POSITIE
SAMENSTELLING HUISHOUDEN Total
een persoons huishouden twee persoons niet-gezins huishouden twee persoons niet-gezins huishouden vaste partner drie of meer persoons niet-gezins huishouden echtpaar zonder kinderen en zonder anderen echtpaar kinderen echtpaar anderen echtpaar kinderen en anderen man of vrouw kinderen man of vrouw kinderen en anderen man of vrouw kinderen en vaste partner overige meergezins huishoudens
minder dan -200000 Count




2





2
%




.0%





.0%
-100000 t/m -50001 Count

6








6
%

.8%








.0%
-50000 t/m -1 Count 221 6 72
109 259

66
36 4 773
% 13.5% 7.5% 9.7%
4.8% 4.0%

12.5%
20.1% 7.1% 6.4%
nihil Count 40 9 140 3 503 1229 12
177
87 39 2239
% 2.5% 11.3% 18.8% 33.3% 22.3% 19.2% 22.6%
33.4%
48.6% 69.6% 18.6%
1 t/m 50000 Count 959 16 424 6 662 2066 16
184
12 13 4358
% 58.8% 20.0% 56.8% 66.7% 29.4% 32.2% 30.2%
34.7%
6.7% 23.2% 36.3%
50001 t/m 100000 Count 131 15 46
248 1138

34
5
1617
% 8.0% 18.8% 6.2%
11.0% 17.8%

6.4%
2.8%
13.5%
100001 t/m 150000 Count 85 17 5
230 656 9
37 11 24
1074
% 5.2% 21.3% .7%
10.2% 10.2% 17.0%
7.0% 35.5% 13.4%
8.9%
150001 t/m 200000 Count 105 13 21
133 508 12 26 12 20 7
857
% 6.4% 16.3% 2.8%
5.9% 7.9% 22.6% 68.4% 2.3% 64.5% 3.9%
7.1%
meer dan 200000 Count 90 4 32
369 553 4 12 20
8
1092
% 5.5% 5.0% 4.3%
16.4% 8.6% 7.5% 31.6% 3.8%
4.5%
9.1%
Total Count 1631 80 746 9 2254 6411 53 38 530 31 179 56 12018
% 100.0% 100.0% 100.0% 100.0% 100.0% 100.0% 100.0% 100.0% 100.0% 100.0% 100.0% 100.0% 100.0%

Er is een samenhang tussen de schuldenproblematiek quote (SPQ) en het huishoudinkomen (tabel 8). Indien men scoort onder de nul (probleemschuld) dan zijn de percentages huishoudens het grootst bij een inkomenspositie onder de 20.000 gulden. Indien men scoort boven de 1 (dekking schuld) dan zijn de percentages huishoudens het hoogst bij een inkomenspositie boven de 60.000 gulden. Er is een matige correlatie (Spearman 0,636) tussen SPQ en inkomenspositie. Dit is te verklaren doordat de inkomenspositie in relatie staat tot het SPQ-formule.

CATAGORIE SCHULDENPROBLEMATIEK * CATAGORIE HUISHOUDINKOMEN - tabel 8
CATAGORIE SCHULDEN- PROBLEMATIEK
CATAGORIE HUISHOUDINKOMEN Total
minder dan 0 1 t/m 20000 20001 t/m 40000 40001 t/m 60000 60001 t/m 80000 meer dan 80001
toename schuld Count 10 91 29


130
% 100.0% 55.8% 10.4%


17.6%
afname schuld Count
53 50 24

127
%
32.5% 17.9% 12.9%

17.2%
dekking schuld Count
19 201 162 56 45 483
%
11.7% 71.8% 87.1% 100.0% 100.0% 65.3%
Total Count 10 163 280 186 56 45 740
% 100.0% 100.0% 100.0% 100.0% 100.0% 100.0% 100.0%

Er is een samenhang tussen de SPQ en de levenssituatie (tabel 9). Indien men scoort onder de nul (probleemschuld) dan zijn de percentages huishoudens het hoogst bij "man of vrouw met kinderen" en "man of vrouw met kinderen en vaste partner". Indien men scoort boven de 1 (dekking schuld) dan zijn de percentages huishoudens het hoogst bij "tweepersoons niet-gezins huishoudens" en "echtpaar met kinderen". Er is een zwakke correlatie (Eta 0.357) tussen SPQ en levenssituatie.

CATAGORIE SCHULDENPROBLEMATIEK * SAMENSTELLING HUISHOUDEN - tabel 9
CATAGORIE SCHULDEN- PROBLEMATIEK
SAMENSTELLING HUISHOUDEN Total
een persoons huishouden twee persoons niet-gezins huishouden twee persoons niet-gezins huishouden vaste partner echtpaar zonder kinderen en zonder anderen echtpaar kinderen man of vrouw kinderen man of vrouw kinderen en vaste partner overige meergezins huishoudens
toename schuld Count 53
13 7 24 21 7 4 129
% 24.5%
16.9% 7.0% 9.2% 31.8% 63.6% 100.0% 17.4%
afname schuld Count 58
10 20 29 7 4
128
% 26.9%
13.0% 20.0% 11.1% 10.6% 36.4%
17.3%
dekking schuld Count 105 6 54 73 208 38

484
% 48.6% 100.0% 70.1% 73.0% 79.7% 57.6%

65.3%
Total Count 216 6 77 100 261 66 11 4 741
% 100.0% 100.0% 100.0% 100.0% 100.0% 100.0% 100.0% 100.0% 100.0%

4. Conclusie

De voornaamste conclusie is dat er geen generalisatie mogelijk is naar de hele populatie. De uitkomsten beperken zich daarom tot de steekproef.

Voor wat betreft de omvang van de schuldenproblematiek heeft slechts 6,5% van de respondenten een netto schuld en daarvan heeft 17,5% volgens de SPQ een problematische schuld. Er bestaat een zwakke samenhang van SPQ, bezit en schuld met de inkomenspositie en de levenssituatie. Huishoudens met een hoger inkomen hebben een hogere netto positie en minder kans op een probleemschuld. Huishoudens met een lager inkomen hebben een lagere netto positie en een grotere kans op een probleemschuld. Met name de huishoudtype "man of vrouw met kinderen" en "man of vrouw met kinderen en vaste partner" hebben een lagere netto positie en een grotere kans op een probleemschuld.

Hoewel binnen de steekproef alle H0 hypothesen worden verworpen, is er op alle gebieden toch slechts een zwakke samenhang geconstateerd. Het is dus waarschijnlijk dat er andere, niet in dit onderzoek beschreven, variabelen van invloed zijn op de schuldenproblematiek. Dit sluit aan bij de conclusie uit de Sociale Culturele Verkenningen 1995. Volgens dat rapport zijn de reden waarom een huishouden moeilijk kan rondkomen of hoge schulden maakt, slechts ten dele terug te voeren op de inkomens, huishoud, of woonsituatie. Het financieel management, het kunnen omgaan met (weinig) geld, is eveneens van groot belang. Schuldenproblematiek is daarom voor een belangrijk deel iets anders dan inkomensproblematiek.

Literatuur

Albeda, W & W.K.N. Schmelzer (1963), Bezitsvorming, Het Spectrum; Utrecht

CBS (1991), Sociaal Economisch Panelonderzoek 1991

Dekker, R. & D. Fouarge (1998), Leer van arbeid en sociale zekerheid V: praktisch gedeelte, Katholieke Universiteit Brabant, Tilburg

Ministerie van sociale Zaken en Werkgelegenheid (1995), De andere kant van nederland: Over preventie en bestrijding van stille armoede en sociale uitsluiting

Tweede Kamer (1998), 24515, nr. 50, Preventie en bestrijding van stille armoede en sociale uitsluiting; Verslag schriftelijk overleg n.a.v. het rapport "Praktijkervaringen in de schuldhulpverlening"

terug


sitemap reactie© Nic van Holstein