terug

Samuel van Houten (1837-1930)

In de literatuur wordt Samuel van Houten aangemerkt als een van de wegbereiders van de Nederlandse verzorgingsstaat. Zijn kinderwetje (TK 1872-1873 nr. 113) heeft immers de weg vrijgemaakt voor Staatstussenkomst op het gebied van arbeidsverhoudingen en sociale zekerheid. De vraag rijst echter ofdat Van Houten wel een voorstander van Staatstussenkomst was? Kan Van Houten terecht gekwalificeert worden als wegbereider van de verzorgingsstaat?

April 1998

Het levensverhaal van Van Houten

Samuel van Houten werd in 1837 in Groningen geboren. Hij was het vierde kind in een gezin met 7 kinderen. Aangezien zijn broer Hindrik samen met zijn broertje Jacob de zaak van zijn vader over zouden nemen, moest Samuel door studie een gelijkwaardig bestaan op zien te bouwen, dus ging hij naar de latijnse school. In 1854 ging hij rechten studeren aan de Universiteit van Groningen. in 1859 promoveerde hij magna cum laude. Kort hierna vestigde hij zich als advocaat in Groningen. Hiernaast werd hij ook nog leraar in de staatshuishoudkunde aan de Huishoudkundige School te Groningen.

De heer mr S. van Houten is binnen de sociale zekerheid bekend door de kinderwet van Van Houten, welke de eerste aanzet gaf tot staatstussenkomst. Van Houten is 38 jaar politiek actief geweest en zich bezig gehouden met zeer uiteenlopende onderwerpen. Van 1869 tot 1894 is hij 25 jaar tweede-kamerlid geweest, Minister van Financien in het Ministerie Roell-Van Houten en eertse-kamerlid voor Groningen van 1904 tot 1907. De kinderwet van Van Houten was een initiatief wetsvoorstel (1873) tijdens zijn tweede-kamerlidmaatschap, net als enkele wetsvoorstellen voor de wijziging van de grondwet (1877 en 1884) en het recht van onteigening (1890). De kieswetsvoorstel van Van Houten is aangenomen tijdens zijn ministerie. In 1930 overleed Van Houten op 93 jarige leeftijd.

Waarom Van Houten niet geschikt was als minister-president was volgens insiders wel duidelijk. Ten eerste had hij zijn geboort slecht gepland. Het grote belang van de liberalen was sterk tanende. Ten tweede waren er een aantal eigenschappen van de man zelf die hem minder geschikt maakten voor de post van minister-president. Zijn gevoelloosheid was geen geweldige eigenschap als leider. Hij was namelijk ontzettend rationalistisch. Ook was zij gebrek aan opportunisme geen weldaad voor een dergelijke post in de regering. Hij kon zich niet aanpassen of verplaatsen in de gedachten van een ander.

Van Houten's algemene politieke opvatting

Van Houten heeft in zjn lange leven over zeer veel uiteenlopende problemen gesproken en geschreven. Toch vormen zijn gedachten een logisch geheel. Zijn levensbeschouwing komt in het kort neer op het volgende: we zijn in deze wereld geplaatst, maar we weten niet hoe we er gekomen zijn en evenmin waartoe ons verblijf op aarde dient. Derhalve is de meest redelijke houding, die wij ten aanzien van vele vraagstukken, die het leven ons stelt, kunnen aannemen, dat wij proberen alles hier op aarde zo geriefelijk mogelijk in te richten.Het doel van al ons doen en laten moet zijn ons levensgeluk te vergroten' (G.M.Bos, 1952). Het levensgeluk waar Bos over spreekt, zag Van Houten in afwezigheid van ellende en in een zo groot mogelijk materieel bezit. Hiertoe moest de materiële productie zo hoog mogelijk worden opgevoerd. Het verstand moest hierbij leidsman zijn en het gevoel mocht geen rol spelen. Ook bij zijn ontwerp tot beperking van de kinderarbeid bleek het verstand de leidsman te zijn. Kinderarbeid oefent namelijk een nadelige invloed uit op op de economische organisatie van de maatschappij.

De mening van Van Houten met betrekking tot de kieswet is dat hij vindt dat geen enkele klasse een dominerende rol in de volksvertegenwoordiging bezitten, want als er een dominerende klasse is, is de kans groot dat deze klasse bevoordeeld wordt. Algemeen kiesrecht voor mannen zal de klassenstrijd doen verminderen en een minder partijdige regering doen voortbrengen.

Opgemerkt moet nog worden dat Van Houten aanhanger was van Malthusiaansche denkbeelden. Thomas Robert Malthus (1766-1834) waarschuwde in zijn werk 'Essay on the Principle of Population' (1798) voor voor een ongebreidelde bevolkingstoename. Omdat er in de toekomst onvoldoende bestaansmiddelen zouden voorhanden zijn voor iedereen leidde hij hieruit de noodzaak af om drastischde bevolkingsgroei te stoppen. Het spreekt vanzelf dat Malthus zich vergist heeft. Hij had zeer duidelijk niet begrepen dat de mens op bijzondere wijze in staat is om creatief in te spelen op de evolutie van zijn leefomgeving. Door zijn causalistisch denken kon Malthus dit niet inzien, en geloofde hij niet in het kennispotentieel van de mens. (http://www.kvhv.student.kuleuven.ac.be/onsleven/jg106/nr03/blz08.html)

Kinderwet

Van Houten dient in 1873 een wetsvoorstel (TK 1872-1873 nr. 113) in dat verbood, behoudens uitzonderingen, kinderen beneden de twaalf jaar in dienst te nemen: het "Voorstel van wet van den heer v. Houten, strekkende om overmatigen arbeid en verwaarloozing van kinderen tegen te gaan". De wet had echter niet zoveel effect, vanwege slechte controle op de wet. Dus werd er in 1887 een parlementaire enquete gehouden. De maatregel die er op grond van deze enquete kwam is de invoering van de arbeidsinspectie.

Van Houten had een aantal redenen om het wetvoorstel tegen kinderarbeid in te dienen. Dit waren de volgende:

De Staat behoort volgens de Memorie van Toelichting zorg te dragen dat overal voldoende lager onderwijs kan worden genoten, ook voor minvermogenden. In het verlengde van deze zorg voor opleiding van de kinderen was het doel van de kinderwet alleen een betere behartiging van de vanouds noodzakelijk op de staat rustende plicht om kinderen te beschermen tegen misbruik van de bij de wet aan ouders en voogden toegekende macht, aan welk misbruik de werkgevers zich medeplichtig maakten.

Staatstussenkomst

Op grond van Kerkdijk's zienswijze wordt gesteld dat Van Houten met zijn stellingname rond de kinderwet een voorhoedepositie met berekking tot de staatstussenkomst heeft ingenomen (Roebroek, J.M. & M. Hertogh, 1998, p. 92). Toch was Van Houten's standpunt dat de kwestie niet was: al dan niet een arbeidsorganisatie te krijgen, maar de arbeidsorganisatie, zoals geregeld in de gehele wetgeving, vooral de burgelijke- en strafwetgeving, te verbeteren. Uitbereiding van rechtstreekse staatstussenkomst met het arbeidsleven lag dan ook niet in Van Houten's gedachtengang. Het doel van de kinderwet was alleen een betere behartiging van de vanouds noodzakelijk op de staat rustende plicht om kinderen te beschermen tegen misbruik van de bij de wet aan ouders en voogden toegekende macht, aan welk misbruik de werkgevers zich medeplichtig maakten.

De gedachtengang van Van Houten met betrekking tot de staatstussenkomst zijn beknopt weergegeven in de volgende stellingen:

  1. De wetgeving en zeden moeten het streven van de markt naar de laagste kostprijs beperken, wanneer dit streven slechts met opoffering van gezondheid en verstandelijke ontwikkeling kan worden verkregen; en
  2. De wetgever kan niet meer doen, dan de hoofdpunten aangeven van een op dit beginsel gevestigde arbeidsregulering; het overige moet van de vakbonden uitgaan.
Over zijn kinderwet schrijft Van Houten zelf: "Van 't geen ik ten behoeve der kinderen heb kunnen doen, blijft daarom voor mij een groote schaduwzijde, dat anderen op den gezonden stam zulke giftige loten hebben geënt. Moge een herleefde wezenlijk liberale politiek binnen niet al te langen tijd dezen weder afsnijden." (Houten, S. van, Tjeenk Willink (1903), p. 168) Nadien zijn er nog vele loten op de stam geënt: ongevallenwet, invaliditeitswet, werkloosheidswet, arbeidsongeschiktheidswet, algemene bijstandswet, arbowet etc.

Het belang van de kinderwet van Van Houten voor de sociale zekerheid is juist dat het - klaarblijkelijk onbedoeld - de weg vrijmaakte voor staatstussenkomst op het terrein van arbeid en uiteindelijk sociale zekerheid. Zoals uit bovenstaande uiteenzetting blijkt zal Van Houten zich niet vereerd voelen met een dergelijk wapenfeit. Hij kon het niet vinden met enig Ministerie of politieke groepering. Van Houten heeft zich door zijn hele politieke loopbaan nadrukkelijk verzet tegen alle vormen van staatstussenkomst en sociale wetgeving, o.a.: de leerplichtwet, de ongevallenwet, de woningwet en de wet op het arbeidscontract. (Bos, G.M., Muusses (1952), p.44-45) De conclusie van achtereenvolgens Kerkdijk en Roebroek dat Van Houten met zijn stellingname rond de kinderwet een voorhoudepositie heeft ingenomen behoeft dus ten minste enige bijstelling.

Literatuur

Bos, G.M. (1952), Mr S. van Houten, Analyse van zijn denkbeelden voorafgegaan door een schets van zijn leven, Muusses; Purmerend

Houten, S. van (1903), Vijfentwintig jaar in de kamer 1869-1894, Tjeenk Willink; Haarlem

Roebroek, J.M. & M. Hertogh (1998) De beschavende invloed des tijds, Twee eeuwen sociale politiek, verzorgingsstaat en sociale zekerheid in Nederland, COSZ, VUGA; ‘s-Gravenhage

Tweede Kamer 1873-1874, Bijblad van de Nederlandsche Staats-courant, nr. 113. 1-3.

Malthusiaansche denkbeelden en Thomas Robert Malthus http://www.kvhv.student.kuleuven.ac.be/onsleven/jg106/nr03/blz08.html

terug


sitemap reactie© Nic van Holstein en Levien Rademaker