Gezinsbescherming
in de Nederlandse Sociale Zekerheid
Dit artikel is in het Spaans gepubliceerd in González Ortega, S. (ed. 1999), Seguridad Social y Familia; N. van Holstein, 'La protección familiar en la Seguridad Social Holandesa', La Ley-Actualidad S.A.; Madrid. De auteur, Nic van Holstein, is assistent bij de vakgroep socialezekerheidswetenschap aan de Katholieke Universiteit Brabant, Nederland.
Januari 1999
1. Inleiding
Historisch gezien deed gezinsbescherming als overheidstaak voor het eerst haar intrede in
Nederland in 1873 met de Kinderwet Van Houten. Deze wet verbood het in dienst hebben van
kinderen jonger dan 12 jaar, bood de mogelijkheid tot ontheffing voor jongens tussen 10 en
12 jaar en voerde een leerplicht in. Voor de aanneming van de Kinderwet waren sociale
hervormingen altijd afgehouden op grond van het leerstuk van staatsonthouding. Nadat de
Kinderwet de staat de taak toekende hervormend in te grijpen in maatschappelijke toestanden
was het slechts een kwestie van tijd alvorens de staat zich beter en vollediger van die taak zou
gaan kwijten. De kinderwet kan daarom ook aangemerkt worden als het begin van de sociale
wetgeving in Nederland. Sindsdien heeft het Nederlandse sociale zekerheidsstelsel zich door
de tijd heen verder ontwikkeld tot de hedendaagse verzorgingsstaat (Roebroek, 1998, 90). De
gezinsbescherming in Nederland komt tegenwoordig tot uiting op diverse terreinen van
overheidsbeleid. Niet in de laatste plaats wordt zekerheid aan gezinnen geboden door het
sociale zekerheidsstelsel in het algemeen.
Gezinsbescherming kan in de sociale zekerheid direct of indirect plaatsvinden. Onder
indirecte gezinsbescherming kan men die regelingen verstaan die een gezin wel bescherming
bieden maar die primair een breder doel dienen. Voorbeelden van indirecte regelingen zijn de
huursubsidie, minimumloon, onderwijs, medische zorg en diverse sociale verzekeringen.
Onder directe gezinsbescherming zou men die regelingen kunnen verstaan waarvan het
primaire doel de bescherming van het gezin is. De voornaamste directe regelingen zijn de
kinderbijslag en de nabestaandenverzekering. In het kader van gezinsbescherming in de
sociale zekerheid richten wij ons voornamelijk op deze laatste groep van regelingen.
Eerst zal in hoofdstuk 2 het Nederlandse stelsel van Sociale Zekerheid uiteengezet worden.
Vervolgens zal er in hoofdstuk 3, 4 en 5 aandacht zijn voor de specifieke gezinsbeschermende
maatregelen: kinderbijslag, nabestaandenverzekering en ziektekostenverzekering. In hoofdstuk 6 komt het
belang van de ontwikkelingen in de maatschappij voor de gezinsbescherming aan de orde, en tenslotte bevat hoofdstuk 7 enkele conclusies.
2. Het Nederlandse stelsel van Sociale Zekerheid
De Nederlandse sociale
zekerheidsregelingen zijn te onderscheiden in sociale verzekeringen, sociale voorzieningen en
collectieve pensioenregelingen.
De sociale verzekeringen zijn op hun beurt te onderscheiden in
werknemersverzekeringen en volksverzekeringen. De verdeling is gebaseerd op de kring van
verzekerden. Er zijn werknemersverzekeringen voor het risico van werkloosheid (WW),
tijdelijke arbeidsongeschiktheid (ZW), permanente arbeidsongeschiktheid (WAO en WAZ)
en medische zorg (ZFW). De volksverzekeringen dekken het risico van ouderdom (WAO),
overlijden (ANW), afhankelijke kinderen (AKW) en bijzondere medische zorg (AWBZ)
(Pieters, 1997, 219). De AKW wordt volledig gefinancierd uit de algemene middelen. De
financiering van de overige sociale verzekeringswetten vindt plaats door premieheffing
volgens het zogeheten omslagstelsel. De premie wordt elk jaar vastgesteld op grond van de
verwachte uitkeringskosten (Lisv, 1997, 13).
De sociale voorzieningen geven een bescherming van het inkomen tot het sociale minimum.
De sociale voorzieningen worden volledig gefinancierd uit de algemene middelen. De
belangrijkste sociale voorziening is de bijstand (ABW). Verder bestaan er sociale
voorzieningen ter aanvulling van de sociale verzekeringen indien de uitkering onder het
sociaal minimum blijft (TW), voorzieningen voor hen waarvan de uitkeringsrechten zijn
vervallen (IOAW en IOAZ) of voor hen die nooit verzekerd zijn geweest (WAJONG). In
eerste instantie zijn ouders verantwoordelijk voor het levensonderhoud van kinderen tot 21
jaar. In principe is de bijstand voor kinderen daarom beperkt tot het bedrag van de
kinderbijslag. Zoals we verder uiteenzetten wordt bij de vaststelling van de hoogte van de uitkering rekening gehouden met de gezinssamenstelling.
In aanvulling op de algemene ouderdoms voorziening welke deel uitmaakt van de
volksverzekeringen is er de mogelijkheid om een collectief pensioen op te bouwen bij
bedrijfstak en bedrijfspensioenfondsen, of via een collectief arrangement bij
verzekeringsmaatschappijen. Deze private pensioenregelingen zijn niet verplicht bij wet.
Echter op verzoek van een voldoende grote groep belanghebbende kan de minister van
sociale zaken en werkgelegenheid de deelname in dergelijke regelingen algemeen verbindend
verklaren voor een bedrijfstak of beroep. De meerderheid van werknemers en zelfstandigen
kunnen aanspraak maken op een inkomensafhankelijk collectief pensioen.
Deze regelingen zijn het resultaat van onderhandelingen tussen werkgevers en werknemers,
en zijn gewoonlijk vastgelegd in collectieve arbeidsovereenkomsten. Zo worden een aantal
aanvullende uitkeringsrechten geboden in aanvulling op de sociale uitkeringen. Sommige
werknemers in de private en publieke sector kunnen met vervroegd pensioen (VUT).
(Pieters, 1997, 219-220) Andere collectieve regelingen bieden aanvullingen op de sociale verzekeringen met betrekking tot nabestaandenpensioen, gezondheidszorgverzekering en invaliditeit.
De gezinssamenstelling speelt in de inkomensvervangende werknemersverzekeringen (werkloosheid, arbeidsongeschiktheid) doorgaans geen rol. Het zijn geindividualiseerde regelingen. Gedurende een eerste periode zijn de uitkeringen in de werknemersverzekeringen in het algemeen gerelateerd aan het vroegere loon van de verzekerde (met een maximumgrens). De vervolguitkeringen - dit zijn de uitkeringn die verstrekt worden na het verstrijken van de eerste inkomensgerelateerde periode - worden gebaseerd op het wettelijk vastgestelde minimumloon en liggen meestal dus een stuk lager.
Bij
de volksverzekeringen en de sociale voorzieningen speelt de gezinssamenstelling bij het ontstaan van het recht een determinerende rol voor de hoogte van de uitkering. Het uitkeringsniveau is gerelateerd aan het wettelijk vastgestelde "sociaal minimum" dat is uitgedrukt in een percentage van het minimumloon.
De hoogte van het minimumloon is bepaald in de Wet minimumloon en minimum
vakantiebijslag (WMM). Het minimumloon is gebaseerd op een gehuwde werknemer van 23
jaar en ouder zonder kinderen. Hierin ligt besloten dat het minimumloon, als rechtvaardig
arbeidsloon, gericht is op een gezinssituatie zonder kinderen (TK, 1978-1979, 15683/3, 5).
Ieder half jaar worden de sociale uitkeringen, het minimumloon en de pensioenen aangepast
aan de loonontwikkeling op de arbeidsmarkt (indexering). Per 1 januari 1998 bedroeg het
minimumloon 2276,30 gulden per maand. Het maximum premieplichtig loon is ook
gekoppeld aan de loonindex.
Behoudens een
aantal uitzonderingen zijn de uitkeringen dus gegarandeerd op het niveau van:
- 100% van het netto minimumloon voor de gerechtigde en zijn of haar partner (of 50%
voor ieder van hen);
- 90% van het netto minimumloon voor de alleenstaande gerechtigde met een kind jonger
dan 18 jaar, dat recht heeft op kinderbijslag;
- 70% van het netto minimumloon voor de alleenstaande gerechtigde.
Het uitkeringsniveau van de sociale voorzieningen is opgenomen in de wet en varieert naar de
gezinssituatie en de leeftijd van de gerechtigden.
Voor de Nederslandse sociale zekerheid hebben twee ongehuwd samenwonenden van verschillend of gelijk geslacht die een duurzaam gezamenlijk huishouden vormen een gelijke status als twee echtgenoten. Dit principe geldt voor alle regelingen, dit wil zeggen zowel in de erknemersverzekeringen, de volksverzekeringen als de sociale verzekeringen. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt naargelang de aard van de relatie tussen de twee personen die samenwonen. Het concubinaat en het homokoppel worden dus gelijk behandeld met een gehuwd koppel. Maar ook de samenwoing van broer en zus, pastoor en meid, grootmoeder en kleindochter, enz. wordt gelijkgesteld met het huwelijk, telkens wanneer er sprake is van een gezamenlijk huishouden. Dat wil zeggen, telksnd wanneer de woon- en onderhoudskosten tussen de samenwonenden gedeels worden.
3. Kinderbijslag
Inleiding
Het Nederlandse parlement besprak in 1920 voor het eerst de vraag of een wettelijke regeling van
steunverlening aan grote gezinnen gewenst was. Op grond van de eerste kinderbijslagregeling
van 1941 kregen arbeiders recht op kinderbijslag voor hun derde en volgende kinderen die
jonger waren dan 15 jaar. In 1978 bestonden er naast een fiscale kinderaftrek en een
algemene kinderbijslagregeling, kinderbijslagregelingen voor loontrekkenden, kleine
zelfstandigen en overheidspersoneel. In fasen werden de verschillende regelingen
ondergebracht in een nieuwe vereenvoudigde algemene kinderbijslagwet. Hiermee kregen
zowel werknemers als niet-werknemers dezelfde rechten op kinderbijslag. (Lisv, 1998, 235)
De algemene kinderbijslagwet (AKW) heeft als doel een financiële tegemoetkoming te
verstrekken aan verzekerden die kinderen verzorgen en opvoeden. Via de kinderbijslag
worden de uitgaven voor kinderen niet volledig vergoed. Op deze wijze wordt de eigen
verantwoordelijkheid van de ouders tot uitdrukking gebracht. (TK, 1977-1978, 14184/7, 11).
De rechtsgrond van de kinderbijslagregeling is het tot stand brengen van een correctie op
primaire inkomensverdeling ten gunste van de welvaartspositie van gezinnen met kinderen
(TK, 1994-1995, 23957/3, 2). Kinderbijslag is een wezenlijk component van het rechtvaardig
loon. Kinderbijslag is altijd beschouwd als een instrument van inkomensverdeling, in het
bijzonder van horizontale inkomensverdeling voor gezinnen met kinderen. (TK, 1977-1978,
14184/7, 11)
Personele werkingssfeer
Alle ingezetenen, ongeacht hun nationaliteit, zijn verzekerd. Verder zijn verzekerd de niet-ingezetenen die in Nederland arbeid in dienstbetrekking verrichten en op grond daarvan onder
de loonbelasting vallen.
Polisvoorwaarden
De verzekerde heeft recht op kinderbijslag indien hij eigen kinderen, stiefkinderen of
pleegkinderen verzorgt of onderhoud. De "eigen" kinderen zijn zowel de wettig, de gewettigde, de natuurlijke als de geadopteerde kinderen van de verzekerde. Met "pleegkind" wordt elk kind bedoeld dat als een eigen kind wordt onderhouden en opgevoed. Onderhouden is het leveren van een financiële bijdrage in het levensonderhoud van het kind. De uitvoeringsorganisatie hanteert hiervoor soms bepaalde minimumnormen, met name om vast te stellen of een kind dat niet (permanent) in het gezn woont door de verzekerde wordt onderhouden. Aan het opvoedingsvereiste wordt voldaa, indien de pleegouder zich wat de opvoeding betreft op een zodanige wijze gedraagt, dat hij de plaats van de natuurlijke ouders van het kind inneemt.
Het recht op kinderbijslag hangt af van de situatie
waarin het kind verkeert en de leeftijd van het kind. In principe kan er recht op kinderbijslag
bestaan voor:
- kinderen jonger dan 16 jaar;
- invalide, werkloze of studerende kinderen van 16 en 17 jaar die door de verzekerde in
belangrijke mate worden onderhouden.
Het recht op kinderbijslag wordt van rechtswege per kwartaal vastgesteld. Er mag voor de
studerende kinderen geen recht bestaan op studiefinanciering.
Uitkeringshoogte
De uitkeringshoogte is afhankelijk van de leeftijd van het kind. De leeftijdsafhankelijkheid is
gebaseerd op het feit dat per leeftijdsgroep de kosten voor kinderen verschillen. Voor
kinderen jonger dan 6 jaar is de kinderbijslag 70% voor kinderen van 6 tot 12 jaar 85%, en
voor kinderen van 12 tot 18 jaar is het 100% van het basiskinderbijslagbedrag. Per 1 januari
1998 bedraagt het basiskinderbijslagbedrag 449,51 gulden per kwartaal (VSV, 1998, 75-81).
De uitkering wordt niet tot het belastbaar inkomen van de verzekerde gerekend, de
kinderbijslag is dus belastingvrij. (TK, 1977-1978, 14184/7, 9)
Financiering en uitvoering
De uitkeringskosten worden betaald uit de algemene middelen. Daardoor neemt de kinderbijslagwet een tussenpositie in tussen volksverzekeringen en sociale voorzieningen. De volksverzekeringen worden gefinancierd uit premies op het inkomen van alle ingezetenen en kennen doorgaans niet-middelengetoetste uitkeringen toe. De sociale voorzieningen worden gefinancierd uit de algemene middelen, de uitkeringen worden er slechts toegekedn na een middelentoets. de kinderbijslagwet wordt zoals de sociale voorzieningen gefinancierd uit de algemene middelen. De uitkeringen zijn echter niet afhankelijk van een middelentoets.
De uitvoering vindt plaats
door de Sociale Verzekeringsbank (SVB). De SVB is het nationaal georganiseerd publiek
uitvoeringsorgaan voor de volksverzekeringen met regionale kantoren. Controle op de
uitvoering van alle sociale verzekeringen vindt plaats door het College van Toezicht Sociale
Verzekeringen (Ctsv).
Evolutie van de kinderbijslag
Na de invoering van de AKW in 1980 zijn een aantal aspecten verschillende malen aangepast,
Er zijn daarom nu nog een aantal overgangsregelingen van toepassing. De leeftijd van
kinderen die recht hebben op kinderbijslag is teruggebracht in het kader van de invoering van
studiefinanciering voor studerende kinderen (WSF), werkgelegenheidsregelingen voor
werkloze jongeren (WIW) en voorzieningen voor arbeidsongeschikte jongeren (WAJONG).
De wijze van berekening van de kinderbijslag, is verschillende malen aangepast:
leeftijdsafhankelijkheid, gezinsgrootte en rangorde. Bovendien is hoogte van de kinderbijslag
aangepast als gevolg van bezuinigingen en compensatie van wijzigingen van de medische
zorgverzekeringen (ZFW en AWBZ). (Lisv, 1997, 235-237)
Met verlaging van de leeftijdsgrens wil de overheid de werkloze, studerende en gehandicapte
jongeren stimuleren om eerder aan het arbeidsproces deel te nemen. Wat betreft de
berekeningswijze van de uitkeringshoogte kan gewezen worden op de toegenomen welvaart,
de voortgaande individualisering en de veranderende maatschappelijke positie van het gezin.
De Nederlandse overheid legt weer steeds meer de nadruk op de eigen verantwoording van de
ouders en jongeren voor het gezinsinkomen.
Werkgevers moesten aanvankelijk voor hun werknemers de AKW-premie betalen, die ze niet
op hun werknemers mochten verhalen. Vanaf 1989 heeft het Rijk de financiering van de
kinderbijslag volledig overgenomen (Lisv, 1997, 237). De kinderbijslag wordt daarmee ook
niet meer gefinancierd zoals een volksverzekering, maar zoals een sociale voorziening.
(Noordam, 1996, 213)
4. Nabestaanden
Inleiding
De eerste wettelijke verzekering tegen geldelijke gevolgen van overlijden in Nederland waren
vastgelegd in de ongevallenwet 1901 en de invaliditeitswet 1919. De algemene weduwe en
wezenwet trad in 1959, als tweede volksverzekering in werking na de algemene
ouderdomsverzekering. De wet kende een pensioenvoorziening voor weduwen en een
pensioensvoorziening voor wezen. Het betrof een verzekering tegen de financiële gevolgen
van overlijden van de kostwinner voor de afhankelijke nabestaanden binnen het gezin. In
1996 werd de weduwe en wezenwet niet langer up-to-date gevonden en vervangen door de
algemene nabestaandenwet. (Lisv, 1997, 221)
De algemene nabestaandenwet regelt het recht op uitkering voor nabestaanden, halfwezen en
wezen. Met nabestaande wordt hier bedoeld de weduwe of weduwnaar van een overledene, of
de man of vrouw die met de overledene samenwoonde tot aan de dag van overlijden.
Personele werkingssfeer
Alle ingezetenen, ongeacht hun nationaliteit die nog geen 65 jaar zijn, zijn verzekerd. Verder
zijn verzekerd de niet-ingezetenen die in Nederland arbeid in dienstbetrekking verrichten en
op grond daarvan onder de loonbelasting vallen.
Polisvoorwaarden
De nabestaande verzekering kent drie soorten uitkeringen: de nabestaandenuitkering, de
halfwezenuitkering en de wezenuitkering. Zij gaan in op de eerste dag van de maand van
overlijden van de verzekerde.
Een nabestaande heeft recht op een nabestaande uitkering als zij:
- een kind heeft onder de 18 jaar dat niet tot het huishouden van een ander behoort; of
- zwanger is; of
- arbeidsongeschikt is; of
- geboren is voor 1 januari 1950.
De nabestaandenuitkering eindigt indien de nabestaande 65 jaar wordt, een nieuwe partner
krijgt of niet langer aan een van bovenstaande voorwaarden voldoet.
De ouder of verzorger die een halfwees onder de 18 jaar in zijn huishouden verzorgt, heeft
recht op de halfwezenuitkering. Een halfwees is een kind van wie een ouder is overleden. De
halfwezenuitkering eindigt als het jongste kind 18 jaar wordt of als de ouder of verzorger 65
jaar wordt.
Volle wezen hebben recht op een wezenuitkering. Een volle wees is een kind van wie beide
ouders zijn overleden. Wezen tot 16 jaar hebben altijd recht op een uitkering. De
wezenuitkering is onafhankelijk van eventueel ander inkomen. De wezenuitkering kan bij
arbeidsongeschiktheid, studie of het verzorgen van het huishouden waartoe minstens een
andere wees behoort, verlengt worden tot maximaal 21 jaar.
Hoogte uitkering
De nabestaandenuitkering bedraagt maximaal 70% van het minimumloon en is afhankelijk
van het inkomen van de nabestaande. De uitkering wordt slechts toegekend na een inkomenstoets. Dit is het gevolg van een reente wetswijziging. Voorheen genoten alle nabestaanden de uitkering, ogeacht hun inkomsten. De nabestaandenwet lijkt door de wetswijziging eerder het karakter van een sociale voorziening te hebben gekregen dan dat van een volksverzekering. De bestaande gerechtigden blijven de uitkering onder de oude voorwaarden krijgen. De nabestaandenregeling kent derhalve een zeer lange overgangsperiode.
De halfwezenuitkering bedraagt 20% van het minimumloon en
is niet afhankelijk van het inkomen. Een nabestaande met een kind onder de 18 jaar kan
hiermee een uitkering krijgen van maximaal 90% van het minimumloon.
De wezenuitkering is direct gekoppeld aan het minimumloon en varieert naargelang de
leeftijd van de wees. Er zijn drie leeftijdscategorieën: kinderen jonger dan 10 jaar, kinderen
van 10 tot 16 jaar en kinderen van 16 tot 21 jaar.
Financiering en uitvoering
De algemene nabestaandenwet-premie wordt in een bedrag geheven met de belasting en
overige premies voor volksverzekeringen. De premie is niet over het gehele inkomen
verschuldigd. Het premiepercentage bedraagt vanaf 1 januari 1998 1,40%. Voor werknemers
en uitkeringsgerechtigden worden belasting en premies ingehouden op loon of uitkering.
Niet-werknemers ontvangen van de belastingdienst een aanslag over hun inkomen. De
uitvoering en het toezicht gebeuren door dezelfde instanties als bij de kinderbijslag. (VSV,
1998, 70-75)
5. Ziektekosten
6. Ontwikkelingen in de maatschappij
De gezinsbescherming binnen het Nederlandse sociale zekerheidsstelsel is voornamelijk
gebaseerd op een aantal uitgangspunten, ofwel beginselen. De twee belangrijkste beginselen
voor de gezinsbescherming zijn het kostwinnersbeginsel en het beginsel van rechtvaardig
arbeidsloon. Beide beginselen hangen samen met de positie van het gezin binnen de
maatschappij. Bij een veranderende maatschappelijke samenhang veranderd ook het belang
van deze beginsels, en daarmee de noodzaak en vorm van gezinsbescherming.
Kostwinnersbeginsel
Het kostwinnersbeginsel is geformuleerd op basis een rolverdeling waarbij bijna de helft van
de bevolking uit eigen hoofde geen recht had op een deel van het nationaal inkomen. Dit
waren doorgaans de gehuwde vrouwen zonder eigen inkomen, hoewel zij meermalen een
twaalfurigen werkdag in hun huisgezin hadden. Tot die groep behoorden daarnaast kinderen
die gedeeltelijk door de wet, gedeeltelijk door hen nog niet ontwikkelde arbeidscapaciteit
geen toegang tot de arbeidsmarkt hadden. Vrouwen en kinderen hebben door hun relatie met
de kostwinner een traditioneel recht op een aandeel in het nationale inkomen dat hen indirect
bereikt (Van der Does, 1946, 205-207). Bij overlijden van de man trad inkomensderving op,
die zonder wettelijke regeling in het algemeen niet in voldoende mate kon worden
ondervangen. Gezien het rolpatroon werd de mogelijkheid dat de vrouw als kostwinner voor
het gezin kon optreden veronachtzaamd. (Lisv, 1997, 221)
Een belangrijke vraag bij de invoering van de ANW was of een publiekrechtelijk geregelde
nabestaandenvoorziening in deze tijd nog wel nodig is. Door emancipatie was de rolverdeling
tussen man en vrouw aanzienlijk veranderd. De arbeidsparticipatie is sterk toegenomen, zodat
meer mensen een eigen inkomen verdienen en niet langer afhankelijk zijn van het inkomen
van een partner. Indien men aan een nabestaandenvoorziening behoefte heeft kan men
bovendien ook terecht op de particuliere verzekeringsmarkt. Deze vraag heeft in het geval
van de nabestaandenvoorziening geleidt tot een soberdere voorziening. (Noordam, 1996, 201)
Rechtvaardig arbeidsinkomen
Om tot een rechtvaardig arbeidsinkomen te komen dient bij loonbetaling met twee
elementen, namenlijk behoefte en prestatie, rekening te worden gehouden. Na de eerste
distributie van het nationale inkomen heeft plaatsgehad vindt de verdere verdeling binnen het
kader van het gezin plaats. Uit tal van studies uit het begin van deze eeuw bleek dat de lonen
dikwijls niet voldoende zijn om een arbeidersgezin behoorlijk te doen leven, in het bijzonder
indien het kindertal groot is. De economische structuur van de maatschappij dient daarom een
of andere directe voorziening in stand te houden om de toekomstige generatie nieuwe kracht
te geven. (Van der Does, 1946, 205-207)
De motivatie voor de herstructurering van de kinderbijslag in 1978 stoelde op de
ontwikkeling van het inkomensbeleid, de welvaartstoeneming en de sterk verbeterde
gemeenschapsvoorzieningen in de secundaire en tertiaire sfeer. Naast het tot stand komen en
het voortdurend aanpassen van de kinderbijslag- en kinderaftrekregelingen waren er
gemeenschapsvoorzieningen op het terrein van de sociale zekerheid, het onderwijs en de
geestelijke en maatschappelijke gezondheidszorg van kracht geworden of verbeterd. Deze
voorzieningen hebben vooral ook het gezinswelzijn en de bestedingsmogelijkheden van
gezinnen gunstig beïnvloed (TK, 1975-1976, 13951/1-3, 65).
Recente ontwikkelingen in Nederland
Sinds de stelselherziening in 1987 na aanleiding van het toenemende volume van de sociale
zekerheid, heeft de Nederlandse sociale zekerheid een snelle ontwikkeling doorgemaakt. De
trend die is ingezet met de stelselherziening, is er een van gedeeltelijke privatisering,
premiedifferentiatie en marktwerking. De nadruk ligt daarbij op de houdbaarheid en
betaalbaarheid van de verzorgingsstaat.
Een studie naar de solidariteit constateert dat de legitimiteit van de kinderbijslagregeling
sinds de invoering in de jaren ‘60 en ‘70 wellicht is afgenomen. Dit is gebaseerd op een
studie onder de Nederlandse bevolking waarbij de burger zelf en niet de overheid als
hoofdverantwoordelijke wordt aangemerkt voor het hebben van kinderen. Het belang van een
nationale verplichte verzekering wordt in vergelijking met de andere erkende sociale risico's
het minst ervaren bij de kinderbijslag. (Van Oorschot, 1996, 17-18)
Een belangrijke oorzaak van deze ontwikkelingen is het voortgaande proces van emancipatie
en individualisering van de samenleving. Een gevolg daarvan is dat het traditionele
gezinsverband binnen de maatschappij in belang afneemt. Daarom worden de
gezinsbeschermende regelingen geleidelijk aangepast aan de nieuwe situatie. De overheid
legt daarbij sterk de nadruk op actief arbeidsmarktbeleid en de eigen verantwoordelijkheid
van de individuele burgers. Hoever die ontwikkeling zich doorzet en waar de
gezinsbescherming uitkomt blijft iets wat de toekomst ons zal leren.
7. Enkele conclusies
Ondanks de snelle evolutie van de laatste decennia kan toch besloten worden dat het gezinsverband een fundamentele rol blijft spelen in de conceptie van de sociale zekerheid. Daarbij moet wel opgemerkt worden dat het traditionele gezin, gehuwden met kinderen, hierbij werd vervangen door elke vorm van duurzaam samenwonen, al dan niet met kinderen te laste. De rol van het gezin blijkt uiteraard uit prestaties die specifiek op gezinsleden en nabestaanden gericht zijn, zoals de kinderbijslagen en de nabestaandenwet. Dit soort regelingen is de laatse tijd aan grote druk onderghevig. De nabestaandenwet werd min of meer omgevormd tot een vorm van sociale bijstand, terwijl ook de kinderbijslagen steeds meer in vraag worden gesteld.
De rol van het gezin blijkt voorts vooral in de vaststelling van de hoogte van de uitkeringen in de volksverzekeringen en de sociale voorzieningen. Enerzijds worden hogere uitkeringen verstrekt aan personen met kinderen ten laste, anderzijds worden lagere uitkeringen verstrekt aan zij de samenwonen dan aan alleenstaanden. In de bijstandswet wordt het gezin als een economische eenheid behandeld. Bijstand wordt slechts toegekend indien de inkomsten van het gezin als geheel onvoldoende blijken te zijn.
In tegenstelling tot vele andere Europeese landen speelt de gezinssamenstelling nauwelijks een rol in de inkomensvervangende werknemersverzekeringen. Deze regelingen zijn geïndividualiseerd en volgen een zeer sterke verzekeringslogica. Dat is niet het geval voor wat betreft de gezondheidszorgverzekering. Deze werknemersverzekering heeft door de figuur van de medeverzekering een zeer ruim toepassingsgebied en kan in zekere zin omschreven worden als een gezinsverzekering.
Literatuur
Eerste kamer (1994), Handelingen 19 december 1994, voorstel 23957; Sdu uitgeverij; Den
Haag
Landelijk instituut sociale verzekeringen (1997), Kroniek van de sociale verzekeringen 1997,
Lisv; Amsterdam
Noordam, F.M. (1996), Inleiding Sociale Zekerheidsrecht, Uitgeverij Kluwer; Deventer
Oorschot, W van (1996), Solidair en collectief of Marktgericht en selectief?, Tisser; Tilburg
Pieters, D (ed. 1997), Social Security Law in the fifteen member states of the European
Union, MAKLU, Antwerpen/Apeldoorn
Roebroek, R.M. & M. Hertogh (1998), De beschavende invloed des tijds, VUGA; Den Haag
Sociale Verzekeringsbank (1998), Informatie over de algemene kinderbijslagwet;
Amstelveen.
Tweede kamer (1975-1997), Kamerstukken 13951, 14184, 15683 & 25117, Sdu Uitgeverij;
Den Haag
Voorlichtingscentrum Sociale Verzekering (1998), De kleine gids voor de Nederlandse
sociale zekerheid 1998, Uitgeverij Kluwer; Deventer
© Nic van Holstein