terug

Gezinsbescherming
in de Nederlandse Sociale Zekerheid

Dit artikel is in het Spaans gepubliceerd in González Ortega, S. (ed. 1999), Seguridad Social y Familia; N. van Holstein, 'La protección familiar en la Seguridad Social Holandesa', La Ley-Actualidad S.A.; Madrid. De auteur, Nic van Holstein, is assistent bij de vakgroep socialezekerheidswetenschap aan de Katholieke Universiteit Brabant, Nederland.

Januari 1999

1. Inleiding

Historisch gezien deed gezinsbescherming als overheidstaak voor het eerst haar intrede in Nederland in 1873 met de Kinderwet Van Houten. Deze wet verbood het in dienst hebben van kinderen jonger dan 12 jaar, bood de mogelijkheid tot ontheffing voor jongens tussen 10 en 12 jaar en voerde een leerplicht in. Voor de aanneming van de Kinderwet waren sociale hervormingen altijd afgehouden op grond van het leerstuk van staatsonthouding. Nadat de Kinderwet de staat de taak toekende hervormend in te grijpen in maatschappelijke toestanden was het slechts een kwestie van tijd alvorens de staat zich beter en vollediger van die taak zou gaan kwijten. De kinderwet kan daarom ook aangemerkt worden als het begin van de sociale wetgeving in Nederland. Sindsdien heeft het Nederlandse sociale zekerheidsstelsel zich door de tijd heen verder ontwikkeld tot de hedendaagse verzorgingsstaat (Roebroek, 1998, 90). De gezinsbescherming in Nederland komt tegenwoordig tot uiting op diverse terreinen van overheidsbeleid. Niet in de laatste plaats wordt zekerheid aan gezinnen geboden door het sociale zekerheidsstelsel in het algemeen.

Gezinsbescherming kan in de sociale zekerheid direct of indirect plaatsvinden. Onder indirecte gezinsbescherming kan men die regelingen verstaan die een gezin wel bescherming bieden maar die primair een breder doel dienen. Voorbeelden van indirecte regelingen zijn de huursubsidie, minimumloon, onderwijs, medische zorg en diverse sociale verzekeringen. Onder directe gezinsbescherming zou men die regelingen kunnen verstaan waarvan het primaire doel de bescherming van het gezin is. De voornaamste directe regelingen zijn de kinderbijslag en de nabestaandenverzekering. In het kader van gezinsbescherming in de sociale zekerheid richten wij ons voornamelijk op deze laatste groep van regelingen.

Eerst zal in hoofdstuk 2 het Nederlandse stelsel van Sociale Zekerheid uiteengezet worden. Vervolgens zal er in hoofdstuk 3, 4 en 5 aandacht zijn voor de specifieke gezinsbeschermende maatregelen: kinderbijslag, nabestaandenverzekering en ziektekostenverzekering. In hoofdstuk 6 komt het belang van de ontwikkelingen in de maatschappij voor de gezinsbescherming aan de orde, en tenslotte bevat hoofdstuk 7 enkele conclusies.

2. Het Nederlandse stelsel van Sociale Zekerheid

De Nederlandse sociale zekerheidsregelingen zijn te onderscheiden in sociale verzekeringen, sociale voorzieningen en collectieve pensioenregelingen. De sociale verzekeringen zijn op hun beurt te onderscheiden in werknemersverzekeringen en volksverzekeringen. De verdeling is gebaseerd op de kring van verzekerden. Er zijn werknemersverzekeringen voor het risico van werkloosheid (WW), tijdelijke arbeidsongeschiktheid (ZW), permanente arbeidsongeschiktheid (WAO en WAZ) en medische zorg (ZFW). De volksverzekeringen dekken het risico van ouderdom (WAO), overlijden (ANW), afhankelijke kinderen (AKW) en bijzondere medische zorg (AWBZ) (Pieters, 1997, 219). De AKW wordt volledig gefinancierd uit de algemene middelen. De financiering van de overige sociale verzekeringswetten vindt plaats door premieheffing volgens het zogeheten omslagstelsel. De premie wordt elk jaar vastgesteld op grond van de verwachte uitkeringskosten (Lisv, 1997, 13).

De sociale voorzieningen geven een bescherming van het inkomen tot het sociale minimum. De sociale voorzieningen worden volledig gefinancierd uit de algemene middelen. De belangrijkste sociale voorziening is de bijstand (ABW). Verder bestaan er sociale voorzieningen ter aanvulling van de sociale verzekeringen indien de uitkering onder het sociaal minimum blijft (TW), voorzieningen voor hen waarvan de uitkeringsrechten zijn vervallen (IOAW en IOAZ) of voor hen die nooit verzekerd zijn geweest (WAJONG). In eerste instantie zijn ouders verantwoordelijk voor het levensonderhoud van kinderen tot 21 jaar. In principe is de bijstand voor kinderen daarom beperkt tot het bedrag van de kinderbijslag. Zoals we verder uiteenzetten wordt bij de vaststelling van de hoogte van de uitkering rekening gehouden met de gezinssamenstelling.

In aanvulling op de algemene ouderdoms voorziening welke deel uitmaakt van de volksverzekeringen is er de mogelijkheid om een collectief pensioen op te bouwen bij bedrijfstak en bedrijfspensioenfondsen, of via een collectief arrangement bij verzekeringsmaatschappijen. Deze private pensioenregelingen zijn niet verplicht bij wet. Echter op verzoek van een voldoende grote groep belanghebbende kan de minister van sociale zaken en werkgelegenheid de deelname in dergelijke regelingen algemeen verbindend verklaren voor een bedrijfstak of beroep. De meerderheid van werknemers en zelfstandigen kunnen aanspraak maken op een inkomensafhankelijk collectief pensioen. Deze regelingen zijn het resultaat van onderhandelingen tussen werkgevers en werknemers, en zijn gewoonlijk vastgelegd in collectieve arbeidsovereenkomsten. Zo worden een aantal aanvullende uitkeringsrechten geboden in aanvulling op de sociale uitkeringen. Sommige werknemers in de private en publieke sector kunnen met vervroegd pensioen (VUT). (Pieters, 1997, 219-220) Andere collectieve regelingen bieden aanvullingen op de sociale verzekeringen met betrekking tot nabestaandenpensioen, gezondheidszorgverzekering en invaliditeit.

De gezinssamenstelling speelt in de inkomensvervangende werknemersverzekeringen (werkloosheid, arbeidsongeschiktheid) doorgaans geen rol. Het zijn geindividualiseerde regelingen. Gedurende een eerste periode zijn de uitkeringen in de werknemersverzekeringen in het algemeen gerelateerd aan het vroegere loon van de verzekerde (met een maximumgrens). De vervolguitkeringen - dit zijn de uitkeringn die verstrekt worden na het verstrijken van de eerste inkomensgerelateerde periode - worden gebaseerd op het wettelijk vastgestelde minimumloon en liggen meestal dus een stuk lager.

Bij de volksverzekeringen en de sociale voorzieningen speelt de gezinssamenstelling bij het ontstaan van het recht een determinerende rol voor de hoogte van de uitkering. Het uitkeringsniveau is gerelateerd aan het wettelijk vastgestelde "sociaal minimum" dat is uitgedrukt in een percentage van het minimumloon.

De hoogte van het minimumloon is bepaald in de Wet minimumloon en minimum vakantiebijslag (WMM). Het minimumloon is gebaseerd op een gehuwde werknemer van 23 jaar en ouder zonder kinderen. Hierin ligt besloten dat het minimumloon, als rechtvaardig arbeidsloon, gericht is op een gezinssituatie zonder kinderen (TK, 1978-1979, 15683/3, 5). Ieder half jaar worden de sociale uitkeringen, het minimumloon en de pensioenen aangepast aan de loonontwikkeling op de arbeidsmarkt (indexering). Per 1 januari 1998 bedroeg het minimumloon 2276,30 gulden per maand. Het maximum premieplichtig loon is ook gekoppeld aan de loonindex.

Behoudens een aantal uitzonderingen zijn de uitkeringen dus gegarandeerd op het niveau van:

Het uitkeringsniveau van de sociale voorzieningen is opgenomen in de wet en varieert naar de gezinssituatie en de leeftijd van de gerechtigden.

Voor de Nederslandse sociale zekerheid hebben twee ongehuwd samenwonenden van verschillend of gelijk geslacht die een duurzaam gezamenlijk huishouden vormen een gelijke status als twee echtgenoten. Dit principe geldt voor alle regelingen, dit wil zeggen zowel in de erknemersverzekeringen, de volksverzekeringen als de sociale verzekeringen. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt naargelang de aard van de relatie tussen de twee personen die samenwonen. Het concubinaat en het homokoppel worden dus gelijk behandeld met een gehuwd koppel. Maar ook de samenwoing van broer en zus, pastoor en meid, grootmoeder en kleindochter, enz. wordt gelijkgesteld met het huwelijk, telkens wanneer er sprake is van een gezamenlijk huishouden. Dat wil zeggen, telksnd wanneer de woon- en onderhoudskosten tussen de samenwonenden gedeels worden.

3. Kinderbijslag

Inleiding
Het Nederlandse parlement besprak in 1920 voor het eerst de vraag of een wettelijke regeling van steunverlening aan grote gezinnen gewenst was. Op grond van de eerste kinderbijslagregeling van 1941 kregen arbeiders recht op kinderbijslag voor hun derde en volgende kinderen die jonger waren dan 15 jaar. In 1978 bestonden er naast een fiscale kinderaftrek en een algemene kinderbijslagregeling, kinderbijslagregelingen voor loontrekkenden, kleine zelfstandigen en overheidspersoneel. In fasen werden de verschillende regelingen ondergebracht in een nieuwe vereenvoudigde algemene kinderbijslagwet. Hiermee kregen zowel werknemers als niet-werknemers dezelfde rechten op kinderbijslag. (Lisv, 1998, 235) De algemene kinderbijslagwet (AKW) heeft als doel een financiële tegemoetkoming te verstrekken aan verzekerden die kinderen verzorgen en opvoeden. Via de kinderbijslag worden de uitgaven voor kinderen niet volledig vergoed. Op deze wijze wordt de eigen verantwoordelijkheid van de ouders tot uitdrukking gebracht. (TK, 1977-1978, 14184/7, 11). De rechtsgrond van de kinderbijslagregeling is het tot stand brengen van een correctie op primaire inkomensverdeling ten gunste van de welvaartspositie van gezinnen met kinderen (TK, 1994-1995, 23957/3, 2). Kinderbijslag is een wezenlijk component van het rechtvaardig loon. Kinderbijslag is altijd beschouwd als een instrument van inkomensverdeling, in het bijzonder van horizontale inkomensverdeling voor gezinnen met kinderen. (TK, 1977-1978, 14184/7, 11)
Personele werkingssfeer
Alle ingezetenen, ongeacht hun nationaliteit, zijn verzekerd. Verder zijn verzekerd de niet-ingezetenen die in Nederland arbeid in dienstbetrekking verrichten en op grond daarvan onder de loonbelasting vallen.
Polisvoorwaarden
De verzekerde heeft recht op kinderbijslag indien hij eigen kinderen, stiefkinderen of pleegkinderen verzorgt of onderhoud. De "eigen" kinderen zijn zowel de wettig, de gewettigde, de natuurlijke als de geadopteerde kinderen van de verzekerde. Met "pleegkind" wordt elk kind bedoeld dat als een eigen kind wordt onderhouden en opgevoed. Onderhouden is het leveren van een financiële bijdrage in het levensonderhoud van het kind. De uitvoeringsorganisatie hanteert hiervoor soms bepaalde minimumnormen, met name om vast te stellen of een kind dat niet (permanent) in het gezn woont door de verzekerde wordt onderhouden. Aan het opvoedingsvereiste wordt voldaa, indien de pleegouder zich wat de opvoeding betreft op een zodanige wijze gedraagt, dat hij de plaats van de natuurlijke ouders van het kind inneemt.

Het recht op kinderbijslag hangt af van de situatie waarin het kind verkeert en de leeftijd van het kind. In principe kan er recht op kinderbijslag bestaan voor:

Het recht op kinderbijslag wordt van rechtswege per kwartaal vastgesteld. Er mag voor de studerende kinderen geen recht bestaan op studiefinanciering.
Uitkeringshoogte
De uitkeringshoogte is afhankelijk van de leeftijd van het kind. De leeftijdsafhankelijkheid is gebaseerd op het feit dat per leeftijdsgroep de kosten voor kinderen verschillen. Voor kinderen jonger dan 6 jaar is de kinderbijslag 70% voor kinderen van 6 tot 12 jaar 85%, en voor kinderen van 12 tot 18 jaar is het 100% van het basiskinderbijslagbedrag. Per 1 januari 1998 bedraagt het basiskinderbijslagbedrag 449,51 gulden per kwartaal (VSV, 1998, 75-81). De uitkering wordt niet tot het belastbaar inkomen van de verzekerde gerekend, de kinderbijslag is dus belastingvrij. (TK, 1977-1978, 14184/7, 9)
Financiering en uitvoering
De uitkeringskosten worden betaald uit de algemene middelen. Daardoor neemt de kinderbijslagwet een tussenpositie in tussen volksverzekeringen en sociale voorzieningen. De volksverzekeringen worden gefinancierd uit premies op het inkomen van alle ingezetenen en kennen doorgaans niet-middelengetoetste uitkeringen toe. De sociale voorzieningen worden gefinancierd uit de algemene middelen, de uitkeringen worden er slechts toegekedn na een middelentoets. de kinderbijslagwet wordt zoals de sociale voorzieningen gefinancierd uit de algemene middelen. De uitkeringen zijn echter niet afhankelijk van een middelentoets.

De uitvoering vindt plaats door de Sociale Verzekeringsbank (SVB). De SVB is het nationaal georganiseerd publiek uitvoeringsorgaan voor de volksverzekeringen met regionale kantoren. Controle op de uitvoering van alle sociale verzekeringen vindt plaats door het College van Toezicht Sociale Verzekeringen (Ctsv).

Evolutie van de kinderbijslag
Na de invoering van de AKW in 1980 zijn een aantal aspecten verschillende malen aangepast, Er zijn daarom nu nog een aantal overgangsregelingen van toepassing. De leeftijd van kinderen die recht hebben op kinderbijslag is teruggebracht in het kader van de invoering van studiefinanciering voor studerende kinderen (WSF), werkgelegenheidsregelingen voor werkloze jongeren (WIW) en voorzieningen voor arbeidsongeschikte jongeren (WAJONG). De wijze van berekening van de kinderbijslag, is verschillende malen aangepast: leeftijdsafhankelijkheid, gezinsgrootte en rangorde. Bovendien is hoogte van de kinderbijslag aangepast als gevolg van bezuinigingen en compensatie van wijzigingen van de medische zorgverzekeringen (ZFW en AWBZ). (Lisv, 1997, 235-237)

Met verlaging van de leeftijdsgrens wil de overheid de werkloze, studerende en gehandicapte jongeren stimuleren om eerder aan het arbeidsproces deel te nemen. Wat betreft de berekeningswijze van de uitkeringshoogte kan gewezen worden op de toegenomen welvaart, de voortgaande individualisering en de veranderende maatschappelijke positie van het gezin. De Nederlandse overheid legt weer steeds meer de nadruk op de eigen verantwoording van de ouders en jongeren voor het gezinsinkomen.

Werkgevers moesten aanvankelijk voor hun werknemers de AKW-premie betalen, die ze niet op hun werknemers mochten verhalen. Vanaf 1989 heeft het Rijk de financiering van de kinderbijslag volledig overgenomen (Lisv, 1997, 237). De kinderbijslag wordt daarmee ook niet meer gefinancierd zoals een volksverzekering, maar zoals een sociale voorziening. (Noordam, 1996, 213)

4. Nabestaanden

Inleiding
De eerste wettelijke verzekering tegen geldelijke gevolgen van overlijden in Nederland waren vastgelegd in de ongevallenwet 1901 en de invaliditeitswet 1919. De algemene weduwe en wezenwet trad in 1959, als tweede volksverzekering in werking na de algemene ouderdomsverzekering. De wet kende een pensioenvoorziening voor weduwen en een pensioensvoorziening voor wezen. Het betrof een verzekering tegen de financiële gevolgen van overlijden van de kostwinner voor de afhankelijke nabestaanden binnen het gezin. In 1996 werd de weduwe en wezenwet niet langer up-to-date gevonden en vervangen door de algemene nabestaandenwet. (Lisv, 1997, 221)

De algemene nabestaandenwet regelt het recht op uitkering voor nabestaanden, halfwezen en wezen. Met nabestaande wordt hier bedoeld de weduwe of weduwnaar van een overledene, of de man of vrouw die met de overledene samenwoonde tot aan de dag van overlijden.

Personele werkingssfeer
Alle ingezetenen, ongeacht hun nationaliteit die nog geen 65 jaar zijn, zijn verzekerd. Verder zijn verzekerd de niet-ingezetenen die in Nederland arbeid in dienstbetrekking verrichten en op grond daarvan onder de loonbelasting vallen.
Polisvoorwaarden
De nabestaande verzekering kent drie soorten uitkeringen: de nabestaandenuitkering, de halfwezenuitkering en de wezenuitkering. Zij gaan in op de eerste dag van de maand van overlijden van de verzekerde.

Een nabestaande heeft recht op een nabestaande uitkering als zij:

De nabestaandenuitkering eindigt indien de nabestaande 65 jaar wordt, een nieuwe partner krijgt of niet langer aan een van bovenstaande voorwaarden voldoet.

De ouder of verzorger die een halfwees onder de 18 jaar in zijn huishouden verzorgt, heeft recht op de halfwezenuitkering. Een halfwees is een kind van wie een ouder is overleden. De halfwezenuitkering eindigt als het jongste kind 18 jaar wordt of als de ouder of verzorger 65 jaar wordt.

Volle wezen hebben recht op een wezenuitkering. Een volle wees is een kind van wie beide ouders zijn overleden. Wezen tot 16 jaar hebben altijd recht op een uitkering. De wezenuitkering is onafhankelijk van eventueel ander inkomen. De wezenuitkering kan bij arbeidsongeschiktheid, studie of het verzorgen van het huishouden waartoe minstens een andere wees behoort, verlengt worden tot maximaal 21 jaar.

Hoogte uitkering
De nabestaandenuitkering bedraagt maximaal 70% van het minimumloon en is afhankelijk van het inkomen van de nabestaande. De uitkering wordt slechts toegekend na een inkomenstoets. Dit is het gevolg van een reente wetswijziging. Voorheen genoten alle nabestaanden de uitkering, ogeacht hun inkomsten. De nabestaandenwet lijkt door de wetswijziging eerder het karakter van een sociale voorziening te hebben gekregen dan dat van een volksverzekering. De bestaande gerechtigden blijven de uitkering onder de oude voorwaarden krijgen. De nabestaandenregeling kent derhalve een zeer lange overgangsperiode.

De halfwezenuitkering bedraagt 20% van het minimumloon en is niet afhankelijk van het inkomen. Een nabestaande met een kind onder de 18 jaar kan hiermee een uitkering krijgen van maximaal 90% van het minimumloon. De wezenuitkering is direct gekoppeld aan het minimumloon en varieert naargelang de leeftijd van de wees. Er zijn drie leeftijdscategorieën: kinderen jonger dan 10 jaar, kinderen van 10 tot 16 jaar en kinderen van 16 tot 21 jaar.

Financiering en uitvoering
De algemene nabestaandenwet-premie wordt in een bedrag geheven met de belasting en overige premies voor volksverzekeringen. De premie is niet over het gehele inkomen verschuldigd. Het premiepercentage bedraagt vanaf 1 januari 1998 1,40%. Voor werknemers en uitkeringsgerechtigden worden belasting en premies ingehouden op loon of uitkering. Niet-werknemers ontvangen van de belastingdienst een aanslag over hun inkomen. De uitvoering en het toezicht gebeuren door dezelfde instanties als bij de kinderbijslag. (VSV, 1998, 70-75)

5. Ziektekosten

6. Ontwikkelingen in de maatschappij

De gezinsbescherming binnen het Nederlandse sociale zekerheidsstelsel is voornamelijk gebaseerd op een aantal uitgangspunten, ofwel beginselen. De twee belangrijkste beginselen voor de gezinsbescherming zijn het kostwinnersbeginsel en het beginsel van rechtvaardig arbeidsloon. Beide beginselen hangen samen met de positie van het gezin binnen de maatschappij. Bij een veranderende maatschappelijke samenhang veranderd ook het belang van deze beginsels, en daarmee de noodzaak en vorm van gezinsbescherming.
Kostwinnersbeginsel
Het kostwinnersbeginsel is geformuleerd op basis een rolverdeling waarbij bijna de helft van de bevolking uit eigen hoofde geen recht had op een deel van het nationaal inkomen. Dit waren doorgaans de gehuwde vrouwen zonder eigen inkomen, hoewel zij meermalen een twaalfurigen werkdag in hun huisgezin hadden. Tot die groep behoorden daarnaast kinderen die gedeeltelijk door de wet, gedeeltelijk door hen nog niet ontwikkelde arbeidscapaciteit geen toegang tot de arbeidsmarkt hadden. Vrouwen en kinderen hebben door hun relatie met de kostwinner een traditioneel recht op een aandeel in het nationale inkomen dat hen indirect bereikt (Van der Does, 1946, 205-207). Bij overlijden van de man trad inkomensderving op, die zonder wettelijke regeling in het algemeen niet in voldoende mate kon worden ondervangen. Gezien het rolpatroon werd de mogelijkheid dat de vrouw als kostwinner voor het gezin kon optreden veronachtzaamd. (Lisv, 1997, 221)

Een belangrijke vraag bij de invoering van de ANW was of een publiekrechtelijk geregelde nabestaandenvoorziening in deze tijd nog wel nodig is. Door emancipatie was de rolverdeling tussen man en vrouw aanzienlijk veranderd. De arbeidsparticipatie is sterk toegenomen, zodat meer mensen een eigen inkomen verdienen en niet langer afhankelijk zijn van het inkomen van een partner. Indien men aan een nabestaandenvoorziening behoefte heeft kan men bovendien ook terecht op de particuliere verzekeringsmarkt. Deze vraag heeft in het geval van de nabestaandenvoorziening geleidt tot een soberdere voorziening. (Noordam, 1996, 201)

Rechtvaardig arbeidsinkomen
Om tot een rechtvaardig arbeidsinkomen te komen dient bij loonbetaling met twee elementen, namenlijk behoefte en prestatie, rekening te worden gehouden. Na de eerste distributie van het nationale inkomen heeft plaatsgehad vindt de verdere verdeling binnen het kader van het gezin plaats. Uit tal van studies uit het begin van deze eeuw bleek dat de lonen dikwijls niet voldoende zijn om een arbeidersgezin behoorlijk te doen leven, in het bijzonder indien het kindertal groot is. De economische structuur van de maatschappij dient daarom een of andere directe voorziening in stand te houden om de toekomstige generatie nieuwe kracht te geven. (Van der Does, 1946, 205-207)

De motivatie voor de herstructurering van de kinderbijslag in 1978 stoelde op de ontwikkeling van het inkomensbeleid, de welvaartstoeneming en de sterk verbeterde gemeenschapsvoorzieningen in de secundaire en tertiaire sfeer. Naast het tot stand komen en het voortdurend aanpassen van de kinderbijslag- en kinderaftrekregelingen waren er gemeenschapsvoorzieningen op het terrein van de sociale zekerheid, het onderwijs en de geestelijke en maatschappelijke gezondheidszorg van kracht geworden of verbeterd. Deze voorzieningen hebben vooral ook het gezinswelzijn en de bestedingsmogelijkheden van gezinnen gunstig beïnvloed (TK, 1975-1976, 13951/1-3, 65).

Recente ontwikkelingen in Nederland
Sinds de stelselherziening in 1987 na aanleiding van het toenemende volume van de sociale zekerheid, heeft de Nederlandse sociale zekerheid een snelle ontwikkeling doorgemaakt. De trend die is ingezet met de stelselherziening, is er een van gedeeltelijke privatisering, premiedifferentiatie en marktwerking. De nadruk ligt daarbij op de houdbaarheid en betaalbaarheid van de verzorgingsstaat.

Een studie naar de solidariteit constateert dat de legitimiteit van de kinderbijslagregeling sinds de invoering in de jaren ‘60 en ‘70 wellicht is afgenomen. Dit is gebaseerd op een studie onder de Nederlandse bevolking waarbij de burger zelf en niet de overheid als hoofdverantwoordelijke wordt aangemerkt voor het hebben van kinderen. Het belang van een nationale verplichte verzekering wordt in vergelijking met de andere erkende sociale risico's het minst ervaren bij de kinderbijslag. (Van Oorschot, 1996, 17-18)

Een belangrijke oorzaak van deze ontwikkelingen is het voortgaande proces van emancipatie en individualisering van de samenleving. Een gevolg daarvan is dat het traditionele gezinsverband binnen de maatschappij in belang afneemt. Daarom worden de gezinsbeschermende regelingen geleidelijk aangepast aan de nieuwe situatie. De overheid legt daarbij sterk de nadruk op actief arbeidsmarktbeleid en de eigen verantwoordelijkheid van de individuele burgers. Hoever die ontwikkeling zich doorzet en waar de gezinsbescherming uitkomt blijft iets wat de toekomst ons zal leren.

7. Enkele conclusies

Ondanks de snelle evolutie van de laatste decennia kan toch besloten worden dat het gezinsverband een fundamentele rol blijft spelen in de conceptie van de sociale zekerheid. Daarbij moet wel opgemerkt worden dat het traditionele gezin, gehuwden met kinderen, hierbij werd vervangen door elke vorm van duurzaam samenwonen, al dan niet met kinderen te laste. De rol van het gezin blijkt uiteraard uit prestaties die specifiek op gezinsleden en nabestaanden gericht zijn, zoals de kinderbijslagen en de nabestaandenwet. Dit soort regelingen is de laatse tijd aan grote druk onderghevig. De nabestaandenwet werd min of meer omgevormd tot een vorm van sociale bijstand, terwijl ook de kinderbijslagen steeds meer in vraag worden gesteld.

De rol van het gezin blijkt voorts vooral in de vaststelling van de hoogte van de uitkeringen in de volksverzekeringen en de sociale voorzieningen. Enerzijds worden hogere uitkeringen verstrekt aan personen met kinderen ten laste, anderzijds worden lagere uitkeringen verstrekt aan zij de samenwonen dan aan alleenstaanden. In de bijstandswet wordt het gezin als een economische eenheid behandeld. Bijstand wordt slechts toegekend indien de inkomsten van het gezin als geheel onvoldoende blijken te zijn.

In tegenstelling tot vele andere Europeese landen speelt de gezinssamenstelling nauwelijks een rol in de inkomensvervangende werknemersverzekeringen. Deze regelingen zijn geïndividualiseerd en volgen een zeer sterke verzekeringslogica. Dat is niet het geval voor wat betreft de gezondheidszorgverzekering. Deze werknemersverzekering heeft door de figuur van de medeverzekering een zeer ruim toepassingsgebied en kan in zekere zin omschreven worden als een gezinsverzekering.

Literatuur

Eerste kamer (1994), Handelingen 19 december 1994, voorstel 23957; Sdu uitgeverij; Den Haag

Landelijk instituut sociale verzekeringen (1997), Kroniek van de sociale verzekeringen 1997, Lisv; Amsterdam

Noordam, F.M. (1996), Inleiding Sociale Zekerheidsrecht, Uitgeverij Kluwer; Deventer

Oorschot, W van (1996), Solidair en collectief of Marktgericht en selectief?, Tisser; Tilburg

Pieters, D (ed. 1997), Social Security Law in the fifteen member states of the European Union, MAKLU, Antwerpen/Apeldoorn

Roebroek, R.M. & M. Hertogh (1998), De beschavende invloed des tijds, VUGA; Den Haag

Sociale Verzekeringsbank (1998), Informatie over de algemene kinderbijslagwet; Amstelveen.

Tweede kamer (1975-1997), Kamerstukken 13951, 14184, 15683 & 25117, Sdu Uitgeverij; Den Haag

Voorlichtingscentrum Sociale Verzekering (1998), De kleine gids voor de Nederlandse sociale zekerheid 1998, Uitgeverij Kluwer; Deventer

terug


sitemap reactie© Nic van Holstein