terug

Financieringstechnieken in de sociale zekerheid

1. Inleiding

Dit werkstuk is geschreven na aanleiding van de opdracht van Prof.dr. J. Berghman voor de Leer van Arbeid en Sociale Zekerheid IV. In dit werkstuk wordt de dimensie Financieringstechnieken in de sociale zekerheid besproken. In hoofdstuk 2 ‘Zekerheid door verzekering' beschouwt het aspect van zekerheid die een verzekering biedt, hoofdstuk 3 ‘Het financieringsstelsel van de huidige sociale zekerheid' geeft een overzicht van de situatie met betrekking tot de financiering, hoofstuk 4 ‘De begrippen kapitaaldekkingsstelsel en omslagstelsel' geeft een deels historisch kader aan de stelsels, hoofdstuk 5 ‘De economische gevolgen van de stelsels' geeft inzicht in de economische consequenties en hoofdstuk 6 ‘De huidige problematiek rondom de financieringsmethode' geeft de huidige vraagstukken op dit gebied weer. Tenslotte is in hoofdstuk 8 de subparagraaf over Financieringstechnieken uit ‘De sociale zekerheid tussen droom en daad' herschreven.

Mei 1998

2. Zekerheid door verzekering

In de sociale zekerheid maken we een onderscheid tussen sociale voorzieningen en sociale verzekeringen. De financiering van de zuivere voorzienigen vindt plaats uit de algemene middelen. Deze laten we daarom verder buiten beschouwing en we richten ons op de sociale verzekeringen.

De sociale verzekeringen worden - afgezien van rijksbijdragen - gefinancierd uit premies op basis van het omslagstelsel. Bij een omslagstelsel zijn de jaarlijks op te brengen premies afgestemd op het totaal van de in datzelfde jaar te verrichten uitkeringen. De premies worden als het ware meteen doorgeschoven van premiebetalers naar uitkeringontvangers. (Koopmans, Wellink & Woltjer, 1991, p. 181)

Volgens Veldkamp zijn de bestaande opvattingen over de betekenis van de verzekeringsgedachte voor de sociale zekerheid zijn zowel in ons land als daarbuiten zeer gedifferentieerd. Het traditionele verzekeringsdenken, dat vooral voor de tweede wereldoorlog op het continent opgeld deed heeft veel aan betekenis ingeboet. In de lijn van het denken van Peacock en Merriam stelt Alan Maynard in een advies aan de Europese Commissie over de invloed van sociale zekerheidheffingen op de werkgelegenheid vast, dat "social insurance is insurance by name, but not by nature". Sociale verzekering impliceert een verplichte betaling van bijdragen, die weinig verband houden met actuariële risico's en geheven worden volgens een jaarlijks omslagstelsel. Volgens Veldkamp kan in de Nederlandse naoorlogse sociale zekerheid slechts in geringe mate gesproken worden van elementen die het stelsel zouden kunnen bepalen als beantwoordend aan de verzekeringsgedachte. (Veldkamp, 1986, p. 4)

Gezien de voortgaande privatisering van sociale regelingen is het echter goed kort stil te staan bij het begrip verzekering in de particuliere zin.Volgens Haaften bestaat de verzekering uit het treffen van maatregelen teneinde te bewerkstelligen, dat door samenvoeging van geldelijke bijdragen van bepaalde personen of lichamen in verband met onzekere gebeurtenissen dezelfde of wel andere personen of lichamen de geldelijke of andere presties zullen ontvangen, die met de verzekering worden beoogd. (Barneveld, van, 1974, p. 5-6)

In de particuliere verzekeringsbedrijf neemt reservevorming daarbij een belangrijke plaats in. Dat geldt zowel voor schadeverzekeringen als voor levensverzekeringen. De technische reserves vormen het bedrag dat de verzekeraar nodig heeft om aan zijn (toekomstige) verplichtingen te voldoen. Een door een verzekeraar ontvangen premie is door deze immers niet meteen verdiend. Integendeel hij moet er gedurende een bepaalde tijd risico voor lopen. Bij sommige vormen van levensverzekering staat zelfs vast dat er na verloop van tijd een of meerdere uitkeringen moeten worden gedaan. Met vrije reserves ligt dat iets anders: daar staan geen directe verplichtingen meer tegenover. Dat wil echter nog niet zeggen dat de verzekeraar daarover vrij kan beschikken. Een verzekeraar belooft zekerheid. Die zekerheid moet hij ook kunnen bieden als zich meer of grotere schades voordoen, dan hij had berekend. Het ligt in de aard van de levensverzekering, met langlopende verplichtingen, dat er veel reserve opgebouwd wordt. De verplichtingen bij de schadeverzekeringen zijn echter van kortlopende aard. (SVV, 1991, p. 237)

3. Het financieringsstelsel van de huidige sociale zekerheid

De uitgaven in het kader van de sociale verzekeringen in een bepaald kalenderjaar worden in beginsel betaald uit de in datzelfde jaar ontvangen inkomsten. De inkomsten bestaan primair uit premiebetalingen. Daarnaast betaald de overheid mee aan de kosten van de sociale verzekeringen. Een derde, bescheiden inkomstenbron wordt gevormd door de vermogensopbrengsten van de fondsen waarin de premiebijdragen worden gestort.

De premiebijdragen beliepen in 1995 ongeveer 84% van de totale inkomsten. Het aandeel van de bijdragen van de overheid was 15%, terwijl de rente-inkomsten ongeveer 1% bedroegen. (Sociale Nota 1996, tabellen 8 B en C)

Het in de sociale verzekeringen gehanteerde financieringsstelsel dat erop neerkomt dat de uitgaven in een bepaalde periode gedekt worden door inkomsten in diezelfde periode, noemt men omslagstelsel. De uitgaven worden volgens een bepaalde verdeelsleutel op de premieplichtigen omgeslagen. Een eventueel tekort in een bepaald jaar zal via premieverhoging in een volgend jaar moeten worden geheven. Het omslagstelsel wordt als financieringstechniek in alle sociale verzekeringen toegepast. Vermogensvorming is aan dit financieringssysteem, dat uitgaat van het beginsel pay-as-you-go, vreemd. Toch is daarvan, zij het op bescheiden schaal, wel sprake. Er worden namelijk bepaalde reserves aangehouden, die onder andere gebruikt worden om niet voorziene uitgavenstijgingen op te vangen.

Vroeger gebruikte men voor de financiering van bepaalde sociale verzekeringen een andere financieringsmethode, het zogenaamde kapitaaldekkingsstelsel In een dergelijk stelsel worden fondsen (vermogens) gevormd, die op elk moment de contante waarde van de verplichtingen van de betreffende sociale verzekering belichamen. Het stelsel werd gehanteerd in regelingen met langlopende verplichtingen, zoals de Ongevallenwet en de Invaliditeitswet. Op het ogenblik wordt het kapitaaldekkingsstelsel nog gebruikt voor financiering van de aanvullende pensioenen in de private en de collectieve sector.

De toenemende vergrijzing van de bevolking levert in het begin van de volgende eeuw zeer waarschijnlijk problemen op voor de financiering van de AOW. Om de ouderdomspensioenen veilig te stellen, pleiten sommigen ervoor om gedeeltelijk over te schakelen van financiering op basis van omslag naar financiering op basis van kapitaaldekking. (Noordam, 1996, p. 319- 320)

4. De begrippen kapitaaldekkingsstelsel en omslagstelsel

De verzekeringstechnische begrippen kapitaaldekking en omslag in de sociale zekerheid verdienen, ook historisch gezien, enige toelichting.

Men spreekt in de sociale verzekering van een kapitaaldekkingsstelsel, wanneer op het ogenblik van de ingang van de langlopende verlichtingen een fonds aanwezig is, dat voldoende is om aan die verplichtingen te voldoen. In dat fonds is dan de contante waarde belichaamd van de toekomstige aanspraken. Daarbij maakt men een onderscheid tussen het kapitaaldekkingsstelsel van de aanspraken en het kapitaaldekkingsstelsel van de renten.

Omdat het omslagstelsel ook al in hoofdstuk 3 ‘het financieringsstelsel van de huidige sociale zekerheid' is besproken beperken we ons hier tot een korte definitie. Onder een omslagstelsel moet verstaan worden de omslag van de in een jaar verschuldigde uitkeringen over de premieplichtigen van dat jaar.

Naast de hierboven genoemde kapitaaldekkings- en omslagstelsels, bestaan er ook nog gemengde stelsels van reservering en omslag. Naarmate de nadruk bij een dergelijk stelsel meer valt op het element van kapitaaldekking kan men spreken van een gematigd kapitaaldekkingsstelsel. Naarmate de nadruk meer valt op het omslagelement kan men spreken van een gematigd omslagstelsel. Tenslotte zijn er ook nog vormen van niet actuariële reserves.

De bovenstaande begrippen moeten mede in historisch perspectief bezien worden. Het kapitaaldekkingsstelsel van de renten is vroeger toegepast geweest in de ongevallenverzekering. Bij toekenning van een uitkering werd de contante waarde voor de uitkering in de toekomst gereserveerd.

Het kapitaaldekkingsstelsel van de aanspraken werd toegepast in de invaliditeits- en ouderdomsverzekering. Het was echter onmogelijk om een selfsupporting premie vast te stellen. Het lag in de lijn van het kapitaaldekkingsstelsel dat de staat voor de financiering van de backservice de plicht op zich nam om het tekort in premiebetaling te dragen. Toen de crisis van de dertiger jaren de overheidsfinancien in de problemen bracht ging de staat haar verplichtingen steeds slechter nakomen. Door in 1955 over te stappen naar het omslagstelsel meende de overheid bij invoering van de AOW geen verplichtingen te hebben ten aanzien van de financiering van de backservice van de AOW. Had de overheid deze verplichtingen wel erkend dan zouden de moeilijkheden nu kleiner geweest zijn. (Veldkamp, 1984, p. 165 - 166)

5. De economische gevolgen van de stelsels

Als we het vraagstuk alleen van de nominale geldzijde bezien dan kunnen wij stellen, dat bij het kapitaaldekkingsstelsel van de aanspraken de stortingen voor het benodigde fonds in het verleden plaatshebben; dat bij het kapitaaldekkingsstelsel van de renten de storting voor het fonds in het heden plaats heeft en dat bij een omslagstelsel de geldlasten van de verzekering naar de toekomst verplaatst worden.

Na verdere analyse blijkt het werkelijke proces van verdeling van baten en lasten over de tijd in een markteconomie niet zo eenvoudig te zijn als hierboven is aangegeven. Bij de economische aspecten zijn drie zaken van belang. In de eerste plaats de betekenis van de inflatie voor het onderhavige vraagstuk; in de tweede plaats de economische betekenis van de financiering van de backservice en tenslotte de economische gevolgen van de keuze van het stelsel van kapitaaldekking of omslag. Achtereenvolgens bespreken we het kapitaaldekkings- en omslagstelsel met betrekking tot de bovenstaande aspecten.

  1. Inflatie
    De voortdurende inflatie of geldontwaarding is in de verschillende landen een gegeven, waarmee men bij de keuze voor een financieringsstelsel rekening moet houden. Het kenmerk van de kapitaaldekkingsstelsels die in Nederland werden toegepast, was dat er mee beoogd werd de uitkering van een bepaald nominaal geldbedrag in de tijd te waarborgen. De waarborg van de uitkering van één bepaald geldbedrag heeft alleen zin, indien daarmee tevens de handhaving van een bepaalde koopkracht gewaarborgd kan worden. Wanneer ten gevolge van de inflatie, de koopkracht van de gegarandeerde gelduitkering daalt, dan schiet de kapitaaldekkingsstelsel in de sociale verzekering tekort. Bij pensioenfondsen die kapitaaldekking hanteren wordt daarom geprobeerd via het beleggingsbeleid de uitkeringen bij te sturen. Daarbij is het positieve verschil tussen actuele rente en rekenrente van groot belang, maar het is duidelijk dat dit geen volledige garantie tegen waardedaling van reële pensioenen geeft.

    Het omslagstelsel past zich op eenvoudige wijze aan bij verminderde koopkracht. Wanneer de premie uitgedrukt is in een percentage van de inkomsten, dan vindt de aanpassing in bij een omslagstelsel praktisch vanzelf plaats, omdat koopkrachtvermindering tot uitdrukking komt in de hoogte van het inkomen.

  2. Backservice
    Onder backservice worden verstaan de verplichtingen over de perioden waarover in verband met de leeftijd van de verzekerden bij in werking treden van de verplichte verzekering door de verzekerden zelf geen premie kon worden betaald. Wanneer men op een bepaald tijdstip een verplichte ouderdomsverzekering invoert, dan worden alle jaarklassen, gelegen tussen de jongste leeftijd waarop men tot de verzekering kan toetreden en de pensioengerechtigde leeftijd premieplichtig, terwijl men vaak ook onmiddellijk wil overgaan tot het doen van uitkeringen van personen, die op het tijdstip van inwerkingtreden van de verzekering de pensioengerechtigde leeftijd reeds bereikt of overschreden hadden.

    Het is duidelijk dat indien de hiervoor verschuldigde premie zou worden gedifferentieerd naar leeftijd van toetreding tot de verzekering, naarmate de leeftijd bij toetreding stijgt, een grotere bijdrage zou moeten worden gevraagd in verband met de financiering van dat deel van het ouderdomspensioen, dat betrekking heeft op verstreken verzekeringsperiode (backservice). Dit is bij de particuliere verzekering gebruikelijk en noodzakelijk in verband met de door de overheid gestelde voorwaarden aan de solvabiliteit. Degenen, die op het tijdstip van inwerkingtreden de pensioengerechtigde leeftijd bereikt hebben zouden bij een dergelijk kapitaaldekkingsstelsel een inkoopsom moeten bijdragen, gelijk aan de contante waarde van de toekomstige aanspraken. De doorsneepremie die in de sociale verzekering gebruikelijk is bevat gewoonlijk een solidariteitsbijdrage van jongere aan oudere jaarklassen. Het mag duidelijk zijn dat de hoogte van een dergelijke solidariteitsbijdrage ook aan grenzen gebonden is.

    Bij het omslagstelsel worden de jaarlijkse lasten van de verzekering met inbegrip van de backservice, omgeslagen over de premieplichtigen. Een dergelijke omslagpremie zal aanvankelijk zeer laag zijn, maar na verloop van tijd geleidelijk stijgen. Op de jaarlijkse omslagpremie wordt op de duur een enorme invloed uitgeoefend door de demografische ontwikkelingen, zoals ontgroening en vergrijzing.

  3. Economische gevolgen
    Door het verbreken van een verband tussen het toevoegen van spaargelden aan de opbouw van het kapitaal enerzijds en de investeringsactiviteit anderzijds vergroot het kapitaaldekkingsstelsel het gevaar dat de besparingen omvangrijker worden dan de actieve investeringen. Daardoor ontstaat er een gevaar van deflatie en werkloosheid. De premies leggen bij een kapitaaldekkingsstelsel een onnodig zware belastingdruk op de burgers, waardoor het de productieve inspanningen vermindert. Daartegenover staat, dat indien een bepaalde generatie door fondsvorming veel spaart voor de oude dag, de rente in die periode betrekkelijk laag zal zijn, waardoor investeringen aantrekkelijk zijn. Dat is van belang omdat de investeringen de productie in de toekomst veiligstellen, wanneer de nu actieve bevolking van het pensioen wil genieten. In het algemeen kan de overheid daarbij door een juist beleid deflatoire tendensen voorkomen.

    De onmiddellijke economische gevolgen van omslagstelsel zijn tegengesteld aan die van een kapitaaldekkingsstelsel. Terwijl fondsvorming een deflatoire tendens in het leven kan roepen , zal het omslagstelsel eerder inflatoir werken. Het gevaar van het overwegen van besparingen ten opzichte van actieve investeringen kan hierdoor voorkomen worden. Dit heeft een gunstige invloed op de werkgelegenheid (Veldkamp, 1984, p 168 - 173)

Met betrekking tot de verhouding tussen kapitaaldekking en omslag dienen wij nog een aantal aspecten van de theorie van de economische groei te beschouwen. Eén van de inzichten van de theorie van de economische groei is de zogenaamde conditie van Aaron, die inhoudt dat als de groeivoet van het nationale inkomen hoger is dan de rentevoet, de ouderdomspensioenen het beste via een omslagstelsel gefinancierd kunnen worden en in het omgekeerde geval via een kapitaaldekkingsstelsel. Het resultaat geldt onder de beperkende veronderstelling van een volkshuishouding die in langetermijnevenwicht verkeert. De redenering is als volgt. Bij een inkomensgroei uit hoofde van bevolkingsgroei en stijging van de arbeidsproductiviteit die groter is dan de rentevoet kan het draagvlak van de oudedagsvoorziening het beste door (het inkomen van) de beroepsbevolking worden gevormd. Levert daarentegen kapitaal een hoger rendement op dan het inkomen groeit dan kunnen het beste pensioenbesparingen worden afgezonderd en is het kapitaaldekkingsstelsel aangewezen. Voor het beleid is de toepasbaarheid van het theorema beperkt omdat zich in de praktijk geen gestage groei voordoet en perioden met een groeivoet hoger dan de rentevoet afgewisseld worden door perioden waarin het omgekeerde het geval is. Dit vormt één van de overwegingen op grond waarvan pragmatici het Nederlandse pensioensysteem prijzen dat een gemengd karakter heeft en een omslagstelsel voor het basispensioen (de AOW) kent naast een kapitaaldekkingsstelsel voor de aanvullende pensioenen. (Compaijen, 1996, #inleiding)

6. Huidige problematiek rondom de financieringsmethode

Met name voor de oudedagsvoorzieningen is de vraag of dat er gekozen moet worden voor een omslag- of kapitaaldekkingsstelsel weer actueel geworden. De vraag is namenlijk in hoeverre de oudedagsvoorzieningen betaalbaar blijven, gezien de te verwachten demografische ontwikkeling. Vanaf 2010 gaat de naoorlogse geboortegolf met pensioen: deze demografische golf zal tot circa 2040 in de oudedagsvoorziening opgenomen zijn. Dit probleem is reeds lang gesignaleerd, zo stelde Van den Bosch (1983) aan het begin van de jaren tachtig dat de vergrijzing ertoe zou leiden dat de AOW premies moesten worden verdubbeld, of dat de uitkeringen dienden te worden gehalveerd. Het probleem in daarna uitgebreider in kaart gebracht. In het algemeen was de conclusie van deze analyses dat de toenemende AOW-lasten bij een redelijke economische groei konden worden opgevangen.

De demografische druk hoeft niet onvermijdelijk te leiden tot een verdubbeling van de premies of een halvering van de uitgaven. Desalniettemin is de toekomst van de oudedagsvoorziening tamelijk onzeker. Het zal niet eenvoudig zijn de AOW intact te houden, goede aanvullende pensioenen te waarborgen en de inkomensongelijkheid niet verder te doen toenemen. Onzekerheden schuilen vooral in de ontwikkeling van de beleggingsfondsen en de loonontwikkeling. Politieke voorkeuren spelen bij de toekomstige vormgeving van de oudedagsvoorziening een belangrijke rol. Indien men niet wil gokken op de discrepantie tussen de ontwikkeling van incidenteel en regulier loon of de inkomensongelijkheid niet wil laten toenemen zijn maatregelen op de volgende gebieden denkbaar:

Met name de spreiding van de lasten in de tijd biedt een aantal alternatieven die interessant zijn in verband met de financieringsmethoden. Er kan namenlijk getracht worden de AOW-lasten gelijkmatiger te laten verlopen door een aantal maatregelen:
  1. Invoering van een vorm van kapitaaldekking. Dat heeft als bezwaar dat de generaties in de overgangsfase te maken krijgen met een dubbele premie: zij moeten betalen voor zowel de huidige omslagfinanciering als de toekomstige kapitaaldekking. Nelissen (1994) stelt een aantal varianten voor, waarbij de AOW en de aanvullende pensioenen worden geïntegreerd. Uiteindelijk zijn deze goedkoper dan het huidige systeem, maar de aanloopkosten zijn hoog. In de eerste vijfjaarsperiode neemt de totale premie voor de AOW en aanvullend pensioen in de goedkoopste variant met 2% á 4% toe. Gedurende een periode van 25 tot 40 jaar is een investering in de vorm van hogere premies noodzakelijk.
  2. Een variant op de voorgaande maatregel is de creatie van een bufferfonds, waaraan actieven uit omvangrijke generaties moeten bijdragen om hun eigen pensioenlasten te financieren. D66 en PvdA zijn voorstander van fondsvorming, in combinatie met premieheffing bij ouderen zoals voorgesteld door de WRR. Bezwaar is dat de AOW-premie op korte termijn moet stijgen en vrij aanzienlijk moet zijn, wil het bufferfonds een voldoende omvang krijgen: dat is weer lastig omdat de wig (het verschil tussen bruto- en nettoloon) hierdoor wordt vergroot, hetgeen arbeid duurder maakt en het draagvlak voor de AOW weer kan verkleinen. Door de combinatie met premieheffing bij ouderen blijft de premiestijging in het PvdA-voorstel beperkt (18% tot 2040).
Bij al deze maatregelen zal rekening gehouden moeten worden met het draagvlak. Vanwege de grote groep gepensioneerde en premiebetalers, hebben ingrepen in de WAO en aanvullende pensioenen al snel electorale consequenties. Het SCP heeft onderzocht in hoeverre de maatregelen op maatschappelijke steun kunnen bogen. De meeste voorstellen blijken door een meerderheid van de bevolking te worden verworpen. Uitsluitend de invoering van een fonds en een middelloonsysteem bij de aanvullende pensioenen hebben een voldoende draagvlak. (Sociaal en Cultureel Planbureau, 1996, p. 160 - 165)

Mede vanuit de optiek van het evenwicht tussen basispensioen en aanvullende pensioenen lijkt het Compaijen geen goede gedachte het kapitaaldekkingselement in de oudedagsvoorziening te versterken, bijvoorbeeld door introductie van een spaarfonds voor de AOW. In het Nederlandse pensioenstelsel ligt het accent al sterk op kapitaaldekking getuige het feit dat de pensioen- en levensverzekeringspremies meer dan het dubbele van de AOW-premies bedragen. (1996, #inleiding)

Volgens het Centraal Economisch Plan 1997 indiceren de analyses dat de huidige regelingen weliswaar niet permanent ongewijzigd kunnen worden voortgezet, maar dat de aanpassing die nodig is om het stelsel houdbaar te maken klein is in het licht met de omvang van de vergrijzing. De oorzaken hiervan zijn vooral de stijging van de arbeidsparticipatie en de hogere toekomstige pensioeninkomens, twee factoren die de belasting en premieopbrengsten zullen verhogen en daarmee de laste van de vergrijzing zullen verlichten. Niettemin zal het bereiken van een houdbaar stelsel gepaard moeten gaan met een forse verlaging van het vorderingentekort. Immers, de beide ontlastende factoren zullen zich voor een belangrijk deel eerder voordoen dan de vergrijzing. Een houdbaar stelsel vereist daarom dat het tekort in de komende decennia wordt verlaagd om ruimte te scheppen voor de hogere aan de vergrijzing gerelateerde uitgaven in de periode erna. Deze tekortreductie zal naar verwachting voor een belangrijk deel zonder aanpassingen in het regelingenstelsel tot stand kunnen komen. Enkele alternatieven voor een houdbaarder stelsel zijn: de verhoging van de indirecte belastingen, het extra verhogen van de participatie of het aanpassen van de voor de vergrijzing gevoelige regelingen. (CPB, 1997, p 142)

In 1997 heeft het kabinet inmiddels aow-fonds opgezet, dat een waarborg moet gaan vormen voor de komende 15 jaar. Daarnaast is door de overheid een Pensioen convenant gesloten met de sociale partners, dat de toename van de kosten van de aanvullende pensioenen moet beperken.

7. De sociale zekerheid tussen droom en daad

In dit hoofdstuk wordt de subparagraaf Financieringstechnieken uit "De sociale zekerheid tussen droom en daad" herschreven.

De financiering van de uitkeringen van de sociale zekerheid kan langs twee fundamentele technieken verzorgd worden. Ten eerste is er het kapitaaldekkings- stelsel, waarbij de uitkeringen worden gefinancierd uit het kapitaal op grond van de contante waarde, dat werd gevormd door de premies en eventuele overheidssubsidies. De tweede techniek is het omslagstelsel, waarbij de inkomsten uit premies en subsidies in hetzelfde jaar worden omgeslagen in de uitkeringen.

De keuze die mogelijk is tussen de twee stelsels is vooral van belang van de pensioensector. Andere sectoren hebben, zoals bij schadeverzekeringen gebruikelijk, er van aanvang immers naar gestreefd om met hun inkomsten van het lopende jaar, de uitgaven voor datzelfde jaar te dekken. Zoals bij de levensverzekeringen gebruikelijk was heeft men in de pensioensector eerst gekozen voor de kapitaaldekkingsstelsel.

Het nadeel verbonden aan het kapitaaldekkingsstelsel is dat een vrij lange bijdrageperiode verondersteld wordt om tot pensioenuitkering van enige betekenis te kunnen komen. Daarnaast zorgen inflatie en welvaartsstijging voor twee bijkomende problemen, aangezien deze factoren ervoor zorgen dat de waarde van het kapitaal relatief gezien daalt.

Daarom is bij de invoering van de AOW gekozen voor het omslagstelsel. De overheid verplicht daarbij de actieven bevolking tot het ondersteunen van de niet actieven en waarborgt dat een volgende generatie dit ook voor hen zal doen. Dit stelsel is echter gevoelig voor demografische ontwikkelingen.

Doordat in Nederland de aanvullende pensioenen via een kapitaaldekkingstelsel gefinancierd zijn, is er een bepaald evenwicht ontstaan tussen de voor- en nadelen van beide stelsels. De ouderdomsvoorzieningen zullen dan ook waarschijnlijk zonder drastische stelselherziening handhaafbaar blijven.

Toch staat de pensioensector voor de taak het hoofd te bieden aan de toenemende vergrijzing. Hoewel er nu voor een deel een toevlucht gezocht wordt tot een vorm van kapitaaldekkingsstelsel in de vorm van een bufferfonds voor de AOW, zal de grootste winst toch liggen op punten zoals: een verhoging van de indirecte belastingen, het extra verhogen van de participatiegraad of het aanpassen van de voor vergrijzing gevoelige (pensioen-)regelingen.

Literatuur

Barneveld, H. van (1974), Inleiding tot de algemene assuratiekennis, ‘s-Gravenhage; Martinus Nijhoff.

Cardol, P & J.C.M. Gruijters (1994), Financiële rekenkunde, Houten; Stenfert Kroese.

Centraal Planbureau (1997), Centraal Economisch Plan 1997, Den Haag; Sdu Uitgevers.

Compaijen, B (1996), Economie en financiele sector: over vermogen en onvermogen, Amsterdam; http://www.econ.vu.nl/vakgroep/bfs/alg/compaije/ oratie.htm

Deleeck, H. & J. Berghman (1980), De sociale zekerheid tussen droom en daad, Deventer - Antwerpen; Van Lohum-Slaterus.

Koopmans, L, A.H.E.M. Welllink & H.J. Woltjer (1991), Overheidsfinanciën, Houten; Stenfert Kroese.

Noordam, F.M. (1996), Inleiding Socialezekerheidsrecht, Deventer; Kluwer.

Sociaal en Cultureel Planbureau (1996), Sociaal en Cultureel Rapport 1996, Rijswijk; Sociaal en Cultureel Planbureau/VUGA.

Stichting Vakontwikkeling Verzekeringsbedrijf (1993), Verzekeringsleer, Deel 1 Het verzekeringsbedrijf, zijn kernfuncties en taakuitoefening, Utrecht, Stichting Vakontwikkeling Verzekeringsbedrijf.

Veldkamp, G.M.J. (Red., 1978), Inleiding tot de sociale zekerheid, Deel I Karakter en geschiedenis, Deventer; Kluwer.

Veldkamp, G.M.J. (Red., 1980), Inleiding tot de sociale zekerheid, Deel II Grondslagen, Deventer; Kluwer.

Veldkamp, G.M.J. (Red., 1984), Schets van de leer van de sociale zekerheid, Deventer; Kluwer.

Veldkamp, G.M.J. (1986), De relativiteit van financieringsmodellen voor de sociale zekerheid, Tilburg; Katholieke Universiteit Branbant.

terug


sitemap reactie© Nic van Holstein