Tocht door de moerassen

Tijdens een programma van de BBC vertelde de dochter van Tolkien over haar vermoeden dat de tocht door de moerassen in "In de Ban van de Ring" een beschrijving was van de ervaringen die Tolkien had opgedaan in The Great War. Tijdens de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) was Tolkien namelijk als Lancashire Fusilier gelegerd in de loopgraven bij de Somme in Vlaanderen. Zij was er niet zeker van, maar als je het fragment hieronder leest kunnen de verwijzingen naar een angstwekkende grote oorlog je niet ontgaan. Dit onderwerp is verder uitgewerkt in het artikel Frodo en de grote oorlog.

Slagveld bij de Somme

Citaat uit In de ban van de Ring

Zij waren bij het midden van de Dode Moerassen gekomen, en het was donker. Zij liepen langzaam, voorovergebogen, en bleven vlak achter elkaar, aandachtig iedere beweging die Gollem maakte volgend. De vennen werden drassiger en liepen uit op grote stilstaande plassen, waarin het steeds moeilijker werd de plaatsen te vinden waar voeten steun konden vinden zonder in de borrelende modder weg te zakken. De reizigers waren licht, anders zou geen van hen er ooit doorheen zijn gekomen.
Weldra werd het helemaal donker: de lucht zelf scheen zwart en zwaar om in te ademen. Toen er lichtjes verschenen wreef Sam zich in zijn ogen: hij dacht dat hij niet goed bij zijn hoofd was. Hij zag er eerst een uit zijn linker ooghoek: een flets glanzend sliertje dat vervaagde; maar daarna kwamen er gauw andere - sommige als vaag schijnende rook, andere als mistige vlammetjes die langzaam boven onzichtbare kaarsen flakkerden. Hier en daar draaiden zij rond als spookachtige lakens die door onzichtbare handen werden opgehouden. Maar geen van zijn metgezellen sprak een woord.
Ten slotte kon Sam het niet langer uithouden. 'Wat is dit allemaal, Gollem?' vroeg hij fluisterend. 'Die lichtjes. Ze zijn nu overal om ons heen. Zitten we in de val? Wat zijn het?'
Gollem keek op. Voor hem lag een donker water, en hij kroop over de grond, van de ene kant naar de andere, niet zeker van zijn weg. 'Ja, ze zijn overal om ons heen,' fluisterde hij. 'De dwaallichtjes. Kaarsen van lijken, ja ja. Niet op letten! Kijk niet! Volg ze niet! Waar is de meester?'
Sam keek achterom en merkte dat Frodo weer achterop was geraakt. Hij kon hem niet zien. Hij ging een paar stappen in de duisternis terug, maar durfde niet ver te gaan of harder te roepen dan schor fluisterend. Plotseling botste hij tegen Frodo op, die daar in gedachten verzonken naar de fletse lichtjes stond te kijken. Zijn handen hingen stijf langs zijn zijden neer; water en slijm dropen ervan af.
'Kom meneer Frodo!' zei Sam. 'Kijk er niet naar! Gollem zegt dat we dat niet moeten doen. Laten we vlak achter hem blijven en zo gauw mogelijk uit dit vervloekte oord zien te komen - als we dat kunnen!'
'Goed,' zei Frodo, alsof hij uit een droom terugkeerde. 'Ik kom al. Ga verder!'
Toen hij zich weer naar voren spoedde, struikelde Sam toen zijn voet in een of andere oude wortel of pol bleef haken. hij viel en kwam zwaar op zijn handen terecht, die die in kleverige modder wegzonken, zodat zijn gezicht dicht bij de oppervlakte van het zwarte moeras kwam. er klonk een zacht gesis, een afschuwelijke stank steeg op, de lichtjes flikkerden en dansten en draaiden rond. Een ogenblik zag het water onder hem eruit als een venster van vuil glas waar hij door keek. Hij trok zijn handen moeizaam uit het slib en sprong met een gil achteruit. 'Er zitten dode dingen, dode gezichten in het water,' zei hij vol afschuw.
'Dode gezichten!'
Gollem lachte. 'De Dode Moerassen, ja ja; zo heten ze,' giechelde hij. 'Je moet er niet in kijken wanneer de kaarsen aan zijn.'
'Wie zijn het? Wat zijn het?' vroeg Sam huiverend, terwijl hij zich naar Frodo omdraaide, die nu achter hem liep.
'Ik weet het niet,' zei Frodo op dromerige toon. 'Maar ik heb ze ook gezien. In de poelen toen de kaarsen aan waren. Ze liggen in alle poelen, bleke gezichten, diep, diep in het donkere water. Ik heb ze gezien: grimmige gezichten en boze; nobele gezichten en droevige. Vele gezichten trots en mooi, met wier in hun zilveren haren. Maar alle stinkend, alle rottend, alle dood. Er schijnt een dodelijk licht in.' Frodo sloeg de handen voor het gezicht. 'Ik weet niet wie het zijn; maar ik dacht dat ik daar Mensen en Elfen zag, en Orks naast hen.'
'Ja, ja,' zei Gollem. 'Allen dood, allen verrot. Elfen en Mensen en Orks. De Dode Moerassen. Lang geleden was daar een grote slag,...'

Literatuur

Foto:

Tolkien, J.R.R. (1954), In de ban van de ring, Het Spectrum, Utrecht 1997, p. 753-754

Website The Heritage of The Great War


sitemap reactie© Nic van Holstein