Wilhelmus, een 'nieuw christelick liedt, gemaect ter eeren des doorluchtigsten Heeren, Heere Wilhelm Prince van Oraengien, Grave van Nassou, Patris Patriae, mijnen G. Forsten ende Heeren', is sinds 1932 het officiële volkslied van Nederland. Het behoort tot de 16de-eeuwse geuzenliederen; over de datering lopen de meningen uiteen: van 1568 tot 1572. Mogelijk is het lied al opgenomen geweest in de oudste druk van het Geuzenliedboek van 1573. Ook over de auteur bestaat geen zekerheid, al wordt gewoonlijk Marnix van St.-Aldegonde als zodanig aangewezen. De beginletters van de 15 strofen vormen het acrostichon 'WILLEM VAN NASSOV'. Het Wilhelmus is een religieus-politiek propagandalied, dat Oranjes leiderschap verdedigt. Voor wat de bouw van het gedicht betreft heeft men gewezen op lijnen die lopen van strofe 1 naar 15, van 2 naar 14, enz., alle elkaar snijdend in het middelpunt, de achtste strofe: 'Als David moest vluchten voor Saul den Tyran', het hart van het gedicht. Ook is de aandacht gevestigd op de voorschriften van de retorica, die in de 16de en 17de eeuw in hoog aanzien stonden en die in het Wilhelmus perfect worden toegepast. De melodie bestond reeds en is afkomstig van een Frans soldatenlied, door Valerius nader uitgewerkt. De oudste notatie van de melodie is gevonden in Deuchdelijcke solutien (Antwerpen, 1574).
Wilhelmus van Nassauwe
Ben ik van Duitsen bloed;
Den vaderland getrouwe
Blijf ik tot in de doet.
Een Prince van Oranje
Ben ik vrij onverveerd;
De koning van Hispanje
Heb ik altijd geëerd.Mijn schild ende betrouwen
Zijt Gij, o God, mijn Heer!
Op U zo wil ik bouwen,
Verlaat mij nimmer meer!
Dat ik toch vroom mag blijven
Uw dienaar t'aller stond.
De tirannie verdrijven,
Die mij mijn hart doorwondt.
Wilhelmus van Nassouwe
Ben ick van Duitschen bloet;
Den Vaderland ghetrouwe
Blijf ick tot in den doet.
Een prince van Oranje
Ben ick vrij onverveert;
Den Coninck van Hispanjen
Heb ick altijd gheëert.Mijn schilt ende betrouwen
Sijt ghij, o Godt, mijn Heer!
Op U so wil ick bouwen,
Verlaet mij minmermeer!
Dat ick doch vroom mach blijven
U dienaer 't allerstont.
Die tyranny verdrijven,
Die mij mijn hert doorwont.
Wilhelmus van Nassouwe
ben ik van Duitse bloed,
de vaderland getrouwe
blijf ik tot in de doed.
Een prinse van Oranje
ben ik vrij onverveerd,
de koning van Hispanje
heb ik altijd geëerd.In Godse vrees te leven
heb ik altijd betracht.
Daarom ben ik verdreven,
om land, om luid gebracht.
Maar God zal mij regeren
als een goed instrument,
dat ik zal wederkeren
in mijne regimentLijdt u, mijn onderzaten,
die oprecht zijn van aard,
God zal u niet verlaten,
al zijt gij nu bezwaard.
Die vroom begeert te leven,
bidt God nacht ende dag,
dat hij mij kracht wil geven,
dat ik u helpen mag.Lijf en goed al tezamen
heb ik u niet verschoond,
mijn broeders, hoog van namen,
hebben 't u ook vertoond:
graaf Adolf is gebleven
in Friesland in de slag
zijn ziel in 't eeuwige leven
verwacht de jongste dag.Edel en hooggeboren,
van keizerlijke stam,
een vorst des rijks verkoren,
als vroom christenman,
voor Godes woord geprezen,
heb ik vrij onversaagd
als een held zonder vrezen
mijn edel bloed gewaagd.Mijn schild ende betrouwen
zijt gij, o God, mijn Heer.
Op u zo wil ik bouwen,
verlaat mij nemmermeer.
Dat ik doch vroom mag blijven,
uw dienaar 't aller stond,
die tyrannie verdrijven,
die mij mijn hert doorwondt.Van al die mij bezwaren
end mij vervolgers zijn,
mijn God, wilt doch bewaren
de trouwe dienaar dijn.
Dat zij mij niet verrassen
in hare boze moed,
haar handen niet en wassen
in mijn onschuldig bloed.Als David moeste vluchten
voor Saul de tyran,
zo heb ik moeten zuchten
met menig edelman.
Maar God heeft hem verheven,
verlost uit alder nood,
een koningkrijk gegeven
in Israël, zeer groot.Na 't zuur zal ik ontvangen
van God mijn Heer dat zoet.
Daarna zo doet verlangen
mijn vorstelijk gemoed:
dat is dat ik mag sterven
met eren in dat veld,
een eeuwig rijk verwerven
als getrouwe heldNiet doet mij zeer erbarmen
in mijne wederspoed
dan dat en ziet verarmen
des konings landen goed.
Dat u de Spanjaards krenken,
o edel Neêrland zoet,
als ik daaraan gedenke,
mijn edel hert dat bloedt.Als een prins opgezeten
met mijner heires kracht
van de tyran vermeten
heb ik de slag verwacht.
Die bij Maastricht begraven
bevreesde mijn geweld.
Mijn ruiters zag men draven
zeer moedig door het veld.So het de wille des Heren
op die tijd had geweest,
had ik geern willen keren
van u dit zwaar tempeest.
Maar de Heer van hierboven,
die alle ding regeert,
die men altijd moet loven,
en heeft het niet begeerd.Seer prinselijk was gedreven
mijn prinselijk gemoed.
Standvastig is gebleven
mijn hert in tegenspoed.
De Heer heb ik gebeden
van mijnes herten grond,
dat hij mijn zaak wil reden,
mijn onschuld doen bekand.Oorlof, mijn arme schapen,
die zijt in grote nood.
Uw herder zal niet slapen,
al zijt gij nu verstrooid.
Tot God wilt u begeven,
zijn heilzaam woord neemt aan,
als vrome christen leven.
't Zal hier haast zijn gedaan.Voor God wil ik belijden
end zijner groter macht,
dat ik tot gene tijden
de koning heb veracht,
dan dat ik God de Here,
der hoogste majesteit,
heb moeten obediëren
in der gerechtigheid.
Welpenboekje (1974) Scouting Nederland
Leerboek Geschiedenis (...)
Witte toetsen, Zwarte toetsen, boek 43 (1969) Uitgeverij Centre-Bracquegnies
Nederlandse volksliederen en -liedjes